Harde heelmeester in de wereld van het grote geld

Oost en West, Noord en Zuid integreren in één wereldeconomie. Ontwikkelingslanden kiezen voor marktliberalisatie, Oost-Europa en de republieken van de ex-Sovjet-Unie sluiten zich aan bij het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, die ze in 1944 de rug toekeerden. Deze instellingen werden opgericht in het Amerikaanse gehucht Bretton Woods en vormden de grondslag voor het Westerse na-oorlogse economische stelsel. Het einde van de economische koude oorlog, het begin van de wederopbouw van de communistische ruïnes en de omarming van de markteconomie illustreren de terugkeer naar de beginselen van Bretton Woods.

De Westerse wereld heeft de afgelopen halve eeuw dramatische economische ontwikkelingen doorgemaakt. In een serie interviews komen de protagonisten van de na-oorlogse wereldeconomie aan het woord. Vandaag: Paul A. Volcker, de voormalige voorzitter van de Federal reserve board, het Amerikaanse stelsel van centrale banken.

Paul Volcker was jarenlang het financiële geweten van de Verenigde Staten. Terwijl de Amerikaanse overheid haar uitgaven grotelijks uit de hand liet lopen, bestreed hij de inflatie met keiharde maatregelen.

Soms komt Paul Volcker op straat mensen tegen die tegen hem zeggen: “Gee, ik ben blij dat u deed wat u gedaan heeft. U heeft dit land gered.” Dat is misschien overdreven, vindt hij, maar het bevestigt dat hij in 1979 en het begin van de jaren tachtig gelijk had toen hij stappen nam om de inflatiespiraal in de Verenigde Staten te doorbreken. De Amerikaanse economie belandde in de diepste recessie sinds de jaren dertig, de Latijns-Amerikaanse landen gingen bankroet door de hoge rente op hun schulden, maar Volcker hield vol.

“De les die ik heb getrokken, is dat je niet moet terechtkomen in een inflatoire situatie. Hoe langer je wacht, des te groter zijn de problemen. Twintig jaar geleden was de gangbare mening in de VS dat een klein beetje meer inflatie altijd minder erg was dan werkloosheid. Die theorie heeft geen aanhangers meer tegenwoordig”, zegt hij.

Volcker (1927) groeide als voorzitter van het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de Federal Reserve (Fed), uit tot een soort volksheld. Met zijn twee meter lengte, zijn goedkope sigaren (in 1987 is hij met roken gestopt), slechtzittende pakken en kernachtige uitspraken was hij een fenomeen in de wereld van het grote geld. En als beheerder van de geldkraan was hij bovendien de één-na-machtigste man in de VS.

De afgelopen twintig jaar stond Volcker in het middelpunt van turbulenties in de internationale financiële wereld: het einde van het stelsel van vaste wisselkoersen (1971), de schoktherapie tegen de inflatie in de industrielanden (1979), de schuldencrisis van Latijns Amerika (1982), de ombuiging van de overgewaardeerde dollar (1985). Tegenwoordig is hij deeltijd-hoogleraar op Princeton, voorzitter van de beleggingsfirma J.D. Wolfensohn & Co in New York en adviseur van de Russische regering. Hij verwacht slechts van beperkt nut voor de Russen te kunnen zijn: “Rusland verkeert in een economische crisis die buiten het menselijke bevattingsvermogen ligt. Noem een probleem en Rusland heeft het. De invloed die een buitenstaander op dat proces kan hebben is beperkt. Mijn bijdrage is uitsluitend te helpen contacten te leggen met de rest van de wereld, met internationale instellingen, met commerciële banken.”

Niet voor zichzelf - overheidsfuncties in de VS zijn slecht betaald - maar in abstracte zin heeft zijn werkzame leven altijd in het teken gestaan van geld. “Geld is het smeermiddel voor de economie”, doceert Volcker. “Machines werken niet goed zonder smeermiddel en economieën werken niet goed zonder geld. Het is een middel waarmee mensen goederen en diensten kunnen ruilen. Daarnaast symboliseert geld een vertrouwensband tussen overheid en burgers. Als geld wordt opgeslagen, moet het zijn waarde behouden. En het is een maatstaf voor de waarde van dingen. Als deze maatstaf niet solide is, werkt een economie niet goed.”

In 1944 werd in het Amerikaanse gehucht Bretton Woods een solide monetair stelsel ontworpen, gebaseerd op de dollar en het goud. De wisselkoersen van de industrielanden werden gekoppeld aan de dollar en de dollar vertegenwoordigde een vaste, door de Amerikanen gegarandeerde hoeveelheid goud. Dit stelsel droeg in grote mate bij aan het economische herstel in de na-oorlogse periode van wederopbouw. “Die eerste 25 jaar na de oorlog staan te boek als een glorieuze periode van groei in de geschiedenis van de wereldecomie, van bijna volledige werkgelegenheid en relatieve prijsstabiliteit. Aan het einde van die periode begon dat allemaal te veranderen”, aldus Volcker.

Het Bretton Woods-stelsel kwam in de loop van de jaren zestig onder druk te staan toen de Amerikaanse betalingsbalans verslechterde. De inflatiedruk in de VS nam toe, onder meer als gevolg van de uitgaven voor de Vietnam-oorlog. In augustus 1971 besloot de regering-Nixon na een bijeenkomst in het presidentiële buitenverblijf Camp David de dollar los te koppelen van de goudprijs.

“In Camp David werd het stelsel van Bretton Woods de genadeslag toegediend. We hoopten dat dit de eerste stap zou zijn naar een internationale monetaire hervorming”, herinnert Volcker zich, die als onderminister van financiën belast werd met de uitleg aan de economische bondgenoten van de VS. “Ik was van mening dat deze stap onvermijdelijk was, maar we waren heel bezorgd wat er met de stabiliteit van het internationale financiële stelsel zou gebeuren.”

Pag.12: Bij hyperinflatie past alleen een schokbehandeling

Speet het u dat u een einde maakte aan het stelsel van Bretton Woods?

“Absoluut. Ik was in dat stelsel opgegroeid en het speet me enorm om te zien dat het voorbij was. We hebben geprobeerd om het monetaire stelsel te hervormen en begin 1973 bereikten we een akkoord om de wisselkoersen tijdelijk te laten zweven. Maar we werden ingehaald door de gebeurtenissen. De oliecrisis maakte een einde aan alle onderhandelingen.” Ironisch: “De beslissing om de koersen tijdelijk te laten zweven, heeft inmiddels al twee decennia stand gehouden.”

Het jaar 1973 was een waterscheiding. De oliecrisis en het definitieve einde van de vaste wisselkoersen zetten de internationale economie op haar kop. Bovendien werden overheden gemakzuchtig met betrekking tot inflatie.

Waarom stonden overheden toe dat de inflatie opliep?

“Men was van mening dat aan vermindering van inflatie hoge kosten verbonden waren. Minder inflatie zou leiden tot meer werkloosheid, of omgekeerd gezegd, een beetje inflatie maakte het gemakkelijker om te groeien en de werkloosheid te beperken. Het was een heel geruststellende doctrine, een gemakkelijk uitweg.”

Waarom is inflatie zo moeilijk terug te dringen?

“De standaard-verklaring is dat het erg moeilijk is om het vertrouwen te herstellen. Men zal niet direct geloven dat je aan een strak beleid zult vasthouden want men is er inmiddels aan gewend geraakt dat het beleid toch steeds weer wordt versoepeld. Dat kan heel lang duren. Het is een oud verhaal: het duurt jaren om vertrouwen op te bouwen maar je hoeft maar één ding te doen en dan ben je het kwijt.”

Bestaat er geen zachte uitweg om van inflatie af te komen?

“Nee. Iedereen zou graag willen dat er een gemakkelijke oplossing was, zoals nu in Rusland, in Oost-Europa, of Latijns Amerika en andere extreme gevallen van hyperinflatie. Daar gaat het om de vraag of de inflatie snel wordt teruggedrongen, met een big bang, of geleidelijk.

“Als een land in een situatie van hyperinflatie is terechtgekomen, met inflatie van honderden, duizenden procenten per jaar, is er geen alternatief voor een schokbehandeling. In Westeuropese landen, in de VS en Japan ligt de situatie nu anders. Maar eind jaren zeventig was de situatie daar ook heel ernstig en moest er absoluut worden ingegrepen. Geleidelijkheid werkte niet meer.”

Paul Volcker maakte op 6 oktober 1979 een einde aan die geleidelijkheid. Kort na zijn benoeming tot voorzitter van de Federal reserve kondigde hij een verandering in het monetaire beleid aan: de geldhoeveelheid werd verkrapt en de rente werd losgelaten. Het was een radicale monetaire ingreep. “Het was misschien niet de grootste schok, maar wel een van de grotere”, zegt Volcker terugkijkend. “Ik wist dat ik stevige maatregelen nam. Maar had ik verwacht dat de rente in de Verenigde Staten zou oplopen tot 20 procent? Nee, absoluut niet. De gevolgen waren veel groter dan ik ooit verwacht had. Men dacht kennelijk dat het een hele tijd zou duren voordat de prijzen zich zouden stabiliseren en dus ging de rente omhoog.”

Uw maatregelen om de inflatie uit de Amerikaanse economie te wringen hebben honderden miljarden dollars aan gemiste economische groei gekost.

“Daar kun je twee dingen over zeggen. Ten eerste dat we een hardvochtig krap geld beleid voerden en dat leidde tot een diepe recessie begin jaren tachtig. Vroeg of laat hadden we hoe dan ook een recessie gehad, of we het monetaire beleid hadden verkrapt of niet. Dus je moet oppassen met berekeningen die er van uitgaan dat er nooit een andere recessie zou plaatsvinden.

“Ten tweede moet je vooruit kijken. Was er, gemeten over een periode van tien jaar, sprake van meer groei nadat we door dat dal van de recessie waren gegaan? Hadden we uiteindelijk meer groei dan we gehad zouden hebben als de inflatie niet zou zijn bestreden? Ik ben van mening dat over een langere periode inflatie geen goede voedingsbodem biedt voor groei. Het biedt geen goed klimaat voor de economische ordening die je in een beschaafde samenleving wenst. Ik wil niet beweren dat we toen een populariteitswedstrijd zouden hebben gewonnen, maar er was veel begrip dat we iets moesten doen, dat je niet kon doorgaan met inflatie in de Verenigde Staten.”

In de eerste helft van de jaren tachtig kwam Volcker voortdurend in botsing met de regering-Reagan. Reagan verlaagde de belastingen en Volcker wees op de gevolgen voor het begrotingstekort. In Washington werd gelijktijdig op het gaspedaal en op de rem getrapt.

“Er was wel iets voor te zeggen zowel een relatief krap geld-beleid als een soepel begrotingsbeleid te voeren. Het zou helpen om de dollar te stabiliseren. De dollar was tien jaar lang verzwakt en hogere rente versterkte de dollar. Dat hielp om de inflatie te beteugelen. Tegelijkertijd moest een soepel begrotingsbeleid investeringen bevorderen en de produktiviteit stimuleren. Dat was op zichzelf een respectabele theorie maar het werd overdreven, om het het zacht uit te drukken.”

Had de regering-Reagan geen oog voor het begrotingstekort?

“Mijn standpunt was - en is - dat het niet mijn taak was om kritiek te leveren op het belastingbeleid of op de uitgavenkeuzes van de regering. Ik kon alleen maar zeggen dat het evenwicht zoek was. Als ze de belastingen wilden verlagen, moesten ze harder werken om de uitgaven te beperken. Of als ze hoge uitgaven toestonden, konden ze niet zo agressief ijveren voor lagere belastingen. Maar het was fluiten in de wind, gezien het psychologische klimaat begin jaren tachtig.”

Hoe kon u als voorzitter van de Federal reserve nog een monetair beleid voeren?

“Wat in die tijd gebeurde, was een verrassing voor mij. Er kwamen enorme bedragen aan kapitaal uit het buitenland naar de VS. Dat maakte het gemakkelijker ons monetaire beleid te voeren. Er waren jaren dat we 150 miljard of meer uit het buitenland aantrokken. Zelfs met de lage binnenlandse besparingen en het hoge financieringstekort gaf dat een vermindering van de druk op de rente en op de financiële markten. Dat bleek veel langer vol te houden dan ik ooit gedacht had. De vraag was hoe lang buitenlands kapitaal naar de VS zou blijven komen. Het feit is dat het maar dóór bleef stromen, in enorme bedragen.”

Maakte u dat bezorgd?

“Als je een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans hebt van 150 miljard dollar per jaar, dan heb je een probleem. Dat is niet houdbaar. Het is ook niet normaal dat de Verenigde Staten, het rijkste land en de grootste economie in de wereld, jaar in jaar uit enorme bedragen aan besparingen uit de rest van de wereld aanzuigen. Waarom zou het rijkste land van de wereld zijn kapitaalbehoeftes voor een groot deel dekken door geld uit de rest van de wereld aan te trekken? Niet eens ten behoeve van investeringen maar ter dekking van zijn financieringstekort!

Op de tweede plaats had die buitenlandse belangstelling voor de dollar ook tot gevolg dat de munt sterk in koers steeg. Nu vind ik een sterke dollar heel prettig, maar de koersstijging in het begin van de jaren tachtig, met 50, 60, 70 procent ten opzichte van andere valuta, was extreem. Dat was niet gezond voor het internationale concurrentievermogen van de Amerikaanse industrie. De protectionistische druk nam steeds meer toe.''

Waarom was dat zo zorgwekkend?

“Het zou voor de wereldeconomie heel gevaarlijk zijn geweest als de Verenigde Staten, de krachtigste pleitbezorger van open markten, tot handelsbeperkende maatregelen zouden zijn overgegaan. De VS zijn altijd de kampioen van vrije handel en van open markten geweest. We zijn niet zo open als we waren en we dragen ons standpunt niet meer met zoveel overtuiging uit als vroeger, maar van alle grote landen hebben we nog steeds de meest open markt.”

In september 1985 - de dollar was al enige maanden aan het zakken - kwamen de ministers van financiën en centrale bankpresidenten van de belangrijkste industrielanden in New York overeen de dollar met een gecoördineerde, internationale actie in koers te laten dalen. Volcker had getriomfeerd over de dogmatici in de eerste regering-Reagan.

Een andere crisis waarmee u te maken kreeg, was het schuldenprobleem van Latijns-Amerika. Had u voordat in augustus 1982 Mexico bankroet ging, al aanwijzingen dat de financiële situatie daar uit de hand liep?

“Het was duidelijk dat vroeg of laat een crisis zou uitbreken. De vraag was wat je zou kunnen doen en het antwoord was: niet veel. De Latijns-Amerikaanse regeringen waren zelf niet rijp om te erkennen dat ze op een crisis afstevenden en ze waren niet bereid de noodzakelijke maatregelen te nemen. In het geval van Mexico was het wachten bovendien op een nieuwe regering. We hadden de Mexicanen een lening gegeven om de periode tot september, als de zittende president zijn afscheidsrede zou houden, te overbruggen. De nieuwe president zou pas in december aan de macht komen en intussen zou Mexico onderhandelingen met het IMF beginnen. Jammer genoeg brak de crisis uit voordat de nieuwe regering aan de macht was.”

Wat deed u toen?

“Ten eerste organiseerden we een noodlening van de centrale banken. Daaraan verbonden we een directe Amerikaanse lening aan Mexico en ten slotte hebben we de banken bij elkaar geroepen en ze gezegd dat Mexico niet langer aan zijn verplichtingen kon voldoen. De aflossing van leningen moest worden uitgesteld, om te beginnen voor een paar maanden, terwijl de Mexicanen een nieuw economisch programma zouden uitwerken en naar het IMF zou gaan. Vervolgens verplaatste alle aandacht zich naar het IMF.”

Was u voorbereid op deze crisis?

“Als u me in 1980 had gevraagd of er een schuldencrisis zou uitbreken, had ik geantwoord dat de financiële situatie van Latijns-Amerika gevaarlijk was, maar dat een crisis te vermijden zou zijn. In de loop van 1981 raakte ik van mening dat een crisis onafwendbaar was. De economische groei nam af, de dollarrente ging omhoog. Maar dat wilde nog niet zeggen dat men maatregelen nam om een crisis te voorkomen. Mensen nemen geen actie voor hypothetische problemen zolang die zich niet voordoen.”

Loopbaan Paul Volcker:

1953-1957:Federal Reserve bank New York

1957-1962:Chase Manhattan Bank

1962-1965:Ministerie van financiën

1965-1969:Chase Manhattan Bank

1969-1974:Onderminister voor monetaire zaken, ministerie van financiën

1974-1975:Senior fellow Princeton University

1975-1979:President Federal Reserve Bank New York

1979-1987:Voorzitter van de Federal Reserve Board Washington

1987-heden:Bijzonder hoogleraar Princeton University; voorzitter James Wolfensohn

Auteur van Changing fortunes (samen met Toyoo Gyohten)