Griekse tragedie in Praag

Welke plaats zou Václav Havel in Plato's ideale staat innemen? In die staat zou dichters het zwijgen opgelegd zijn en zouden wijsgeren de ware regeerders zijn. Havel nu is zowel dichter als wijsgeer. Heeft hij als president van Tsjechoslowakije gefaald omdat hij te veel dichter of omdat hij te weinig wijsgeer was?

Het heeft geen zin de normen van de oud-Griekse stadstaat toe te passen op de Europese staat van de twintigste eeuw. De enige vergelijking die in het geval-Havel opgaat, is die met een Griekse tragedie: de wijze die de ondergang van zijn staat, en daarmee zijn eigen val, niet kan verhinderen.

Havel, de toneelschrijver en dissident die na de fluwelen revolutie van november 1989 bijna op handen naar de Praagse burcht werd gedragen, werd vorige week niet als president van Tsjechoslowakije herkozen. Daarmee is, na 74 jaar, zo goed als zeker een eind gekomen aan die republiek.

De dichter-wijsgeer-dissident heeft dit ambt nooit geambieerd, maar er was in die novemberdagen niemand die meer dan hij, die nooit met het communisme gepacteerd had en daarvoor met vele jaren gevangenisstraf had moeten boeten, de breuk met het gehate verleden symboliseerde.

Aanvankelijk zag hij zijn ambt als tijdelijk. Hij hoopte zo spoedig mogelijk terug te kunnen keren naar zijn flat, om daar opnieuw te gaan schrijven, en naar de kroegen van de Praagse binnenstad, om daar met zijn vrienden het gesprek te hervatten. Maar weldra zag hij in dat hij als president een taak te vervullen had.

Die taak was die van verzoener: verzoener van Tsjechen en Slowaken, verzoener van Tsjechoslowaken met hun recente verleden, verzoener ook van Tsjechoslowaken en Duitsers. Hij is daarin niet geslaagd, want het volk wilde geen verzoening. Zijn zaad viel op rotsachtige bodem.

Zijn eerste buitenlandse reis bracht hem naar München, stad die voor de Tsjechoslowaken gelijk staat met de ondergang van hun eerste republiek (1919-1938). Daarmee hoopte hij een streep te halen door een bitter verleden - een gebaar dat des te meer nodig was omdat Duitse hulp bij de wederopbouw van de nieuwe, bevrijde staat onmisbaar zou zijn.

Tegelijkertijd beleed hij, namens zijn volk, schuld aan het uitdrijven van de Sudetenduitsers in 1945. Hierbij waren ook talloze onschuldigen om het leven gekomen, en de Tsjechoslowaakse economie had er onherstelbare schade door geleden. Maar die schuldbelijdenis was de eerste breuk met zijn volk. Geen volk belijdt graag schuld.

Havel had ook liever geen scherpe berechting en vervolging van meelopers en profiteurs van het communistisch regime gezien. Wie had, per slot van rekening, in de ruim veertig jaar dat dit regime aan de macht was geweest, niet op de een of andere manier gecollaboreerd? Hij wilde zijn volk die bittere tweespalt, die door ieder gezin zou lopen, besparen. Maar ook hier volgde zijn volk hem niet.

Ten slotte heeft hij er alles aan gedaan Tsjechen en Slowaken bijeen te houden. Maar er was te veel oud zeer tussen beide volksgroepen, te veel hooghartigheid aan de ene en te veel rancune aan de andere kant. Ook liepen de materiële belangen tussen het betrekkelijk moderne Tsjechië en het oorspronkelijk agrarische, maar door de communisten met een nu grotendeels overbodige wapenindustrie opgezadelde Slowakije te zeer uiteen.

Havels fout was misschien gedacht te hebben dat goede woorden van een boven iedere verdenking staand man de mensen op het juiste spoor zouden brengen. Zijn wekelijkse radiopraatjes hadden dat doel, maar ze hadden ten slotte even weinig effect als de radiopraatjes van Nederlands eerste naoorlogse minister-president, de eveneens onpolitieke en goedbedoelende Schermerhorn.

Wie politieke doelen nastreeft - en dat deed Havel - moet meedoen met de politiek, en dat wilde hij niet. Hij moet ook zorgen voor een politiek apparaat, en dat weigerde Havel ook. De politieke partij die zijn naaste geestverwanten oprichtten (die van de minister van buitenlandse zaken Dienstbier) faalde jammerlijk bij de verkiezingen van juni, waar ze niet één zetel wist te veroveren.

Wat dat betreft, ondergaan Havel en de zijnen het lot van degenen die in de DDR de stoot tot de Wende gaven: Neues Forum. Ook dat kreeg bij de eerste vrije verkiezingen nauwelijks een voet aan de grond. De winst en de baantjes gingen naar de mensen die - om het mild te zeggen - de jaren van het communisme zonder heroïek hadden overleefd.

Een fout van Havel is ook geweest dat hij droomde van een "civiele maatschappij' in een land waarin er, na ruim veertig jaar communisme, geen burgers - mensen die bereid zijn initiatief en verantwoordelijkheid te nemen - meer over waren. Zelf zonder macht, bleef hem niets anders over dan te preken, maar hij preekte voor een gehoor dat niet bestond. Dat is zijn tragiek.

Het is een tragiek die los staat van de tragiek van zijn uiteenvallend land. Met het laatste wordt een nieuw element van instabiliteit in Midden-Europa geïntro duceerd. Tsjechië zelf, waarvan Havel misschien toch weer president zal worden, heeft goede kans op stabiliteit en welvaart; maar Slowakije nauwelijks. Behalve dat het veel armer is, heeft het ook een grote Hongaarse minderheid, die het ergste vreest van het Slowaakse nationalisme, dat ongetwijfeld op zoek is naar een zondebok.

Havels persoonlijke tragiek is er een die de grenzen van zijn eigen land te buiten gaat. Ook in West-Europa zijn er onpolitieke politici wier tijdelijke aantrekkingskracht ligt in hun nieuwe, filosofische benadering van de zaken, maar wier zwakte is dat zij zich om organisatie van hun uit individualisten bestaande achterban nauwelijks bekommeren. Per slot van rekening zijn zij, ondanks - ja, als gevolg van - hun succes, een bron van instabiliteit en werken zij zo aan hun eigen ondergang.