Frustratie van de krijgsmacht kwam samen bij Luns; Toen vervolgens het kabinet-Den Uyl er dreigde te komen, achtte Luns de tijd rijp om in te grijpen; De activiteiten van de toenmalige secretaris-generaal van de Navo deugden van geen kant

Sinds het verschijnen van het boek "De wereld volgens Luns', waarin de hoofdpersoon bekendmaakt dat in 1965 vier generaals een coup wilden plegen, lijkt de discussie zich toe te spitsen op de vraag of het door Luns genoemde jaartal niet 1975 zou moeten zijn in plaats van 1965. Dat is niet het geval. Zowel in 1965 als in 1974 (niet 1975) werd in hoge militaire kringen gepraat over de mogelijkheid van het plegen van wat een coup genoemd zou kunnen worden.

Bij het gebruik van het woord "coup' moet dan niet gedacht worden aan een klassieke militaire coup (Spanje, Griekenland), maar aan het aanwakkeren van een zodanige onrust binnen de krijgsmacht dat als het ware vanzelf de roep om een sterke man zou ontstaan. Deze sterke man, in casu Luns, zou dan via normale verkiezingen het premierschap moeten verwerven.

Waarom leek dat aanwakkeren van onrust met name binnen de landmacht kansrijk? Bij de formatie van het kabinet-Marijnen (juli 1963) hadden de krijgsmachtdelen de slag over de reorganisatie van het ministerie gewonnen. De minister van defensie (De Jong) voerde een verticale organisatie door met beroepsmilitairen als staatssecretaris van landmacht, luchtmacht en marine. Op 11 december 1963 stemde de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer tegen de salarispost voor de minister op de begroting, wegens deze departementale reorganisatie.

Haex (CHU) werd staatssecretaris voor de landmacht. Al snel maakte hij zich weinig geliefd door zijn ingrijpende reorganisatieplannen. De landmacht kreeg het gevoel het kind van de rekening te worden en dat nog wel onder een "eigen' man.

Het kabinet-Marijnen viel al op 26 februari 1965. Vanaf het moment dat de "socialistenvriend' Cals de formatieopdracht kreeg, was voor velen duidelijk dat werd aangekoerst op een kabinet met de PvdA. Op een persconferentie op 19 maart deelde Cals mee dat hij niet langer met de liberalen over deelname aan een nieuw kabinet zou onderhandelen. Toen zes dagen later bekend werd gemaakt dat ook de CHU uit de boot viel en de formateur zijn besprekingen zou voortzetten met de KVP, PvdA en AR, ontstond er grote onrust binnen zowel landmacht, luchtmacht als marine.

Men vreesde niet alleen een sterke inbreng van de PvdA op het defensiebeleid met betrekking tot de financiën, maar men vreesde tevens van een "eigen' staatssecretaris beroofd te worden (ook al zag men weinig meer in Haex). De PvdA had immers tegen de reorganisatie van het departement gestemd en wilde bij deze formatie de verticale organisatie weer afschaffen. In de periode die ligt tussen het niet meer meedoen van de CHU (25 maart 1965) en de mededeling van Cals op 31 maart dat hij zichzelf een kans van slagen van 51 procent gaf, wendde een aantal hoge militairen zich tot Luns met het verzoek een poging te wagen de kabinetsformatie alsnog te doen mislukken en zich in te zetten voor nieuwe verkiezingen met uiteraard Luns als lijsttrekker van de KVP.

De fractie van de PvdA verzette zich tot het laatste moment tegen een herbenoeming van Luns op Buitenlandse Zaken (Vondeling stelde zich kandidaat voor zijn opvolging) en maakte daarmee Luns, meer dan hij al was, tot kristallisatiepunt van de anti-socialisten binnen de krijgsmacht. Volledigheidshalve: de PvdA leed een nederlaag over de reorganisatie van Defensie.

De Jong, opnieuw minister van defensie, weigerde tegemoet te komen aan de wensen van de PvdA, die een militarisering in de politieke topleiding vreesde (fractievoorzitter Nederhorst op 12 oktober 1965 in de Tweede Kamer). Voor de PvdA reden om geen staatssecretaris van defensie te leveren.

De "nacht van Schmelzer' maakte al snel een einde aan het kabinet-Cals-Vondeling (april 1965-november 1966). Na een korte periode Zijlstra (november 1966-april 1967) leken er voor Defensie goede tijden aan te breken. Een oud-militair minister-president (De Jong), een oud-militair minister van defensie en oud-militairen als staatssecretaris binnen de bij militairen zo geliefde verticale structuur.

Het liep wat anders. Reorganisator Haex kwam terug bij de landmacht en op nationaal niveau deden zich steeds meer problemen voor. Om er enkele te noemen: de opkomst van de in de ogen van veel militairen zeer radicale VVDM (lange haren!), het schoonvegen van de Dam en Centraal Station door mariniers, ongeregeldheden op Curaçao en niet te vergeten het volstrekt vastlopen van de financiering van nieuwe defensieplannen.

Tijdens de twee kabinetten-Biesheuvel (juli 1971-juli 1972, juli 1972-mei 1973) stegen de frustraties binnen de krijgsmacht, maar weer vooral binnen de landmacht, tot ongekende hoogte. De Koster, minister van defensie (VVD), begon met slechts één staatssecretaris te benoemen, een doodzonde in de ogen van veel hooggeplaatste militairen. Tevens liet hij zich in zekere zin onder curatele stellen door de benoeming van de commissie-Van Rijckevorsel te accepteren. Deze commissie van "civiele en militaire deskundigen' moest de "taak van de Nederlandse defensie in de Navo en de voor de vervulling daarvan vereiste middelen en methoden' kritisch onderzoeken. In maart 1972 kwam het niet eenduidige antwoord ("De toekomst van de Nederlandse defensie'.)

Er kwam een meerderheids- en een minderheidsadvies tot stand. Het interessante was dat het minderheidsadvies werd gedragen door mensen als voorzitter Van Rijckevorsel (prominent lid KVP), Brinkhorst en Kooijmans (later beiden staatssecretaris in het kabinet-Den Uyl), Wierda (Kamerlid PvdA) en niet te vergeten Neuman (de latere directeur van Clingendael). Deze minderheid in de commissie vertegenwoordigde qua politieke afkomst een meerderheid in de Tweede Kamer. Zij bepleitte een ingrijpende verandering van het defensiebeleid, zoals een herstructurering van het departement (al vele jaren voorgestaan door de PvdA), een kleinere landmacht, luchtmacht en marine, gepaard gaande met grote bezuinigingen.

De Koster liet al snel blijken niets te voelen voor dit minderheidsstandpunt. Hoe meer geld er beschikbaar zou komen, hoe gemakkelijker hij het zou krijgen. Premier Biesheuvel, met de hete adem in zijn nek van de minister van financiën, zocht naar een politieke mogelijkheid de greep van de VVD op het defensiebeleid wat af te zwakken.

In deze situatie roken een aantal, vooral met de christelijke partijen verwante, landmachtofficieren hun kans om ideeën voor een op een moderne wijze bestuurde krijgsmacht over het voetlicht te krijgen. Via de hiërarchische weg, dat betekende via de bevelhebber in Den Haag, sloegen ze hun kansen niet hoog aan. Via de directe weg, dat betekende in rechtstreeks contact met medewerkers van minister-president Biesheuvel, zagen ze wel mogelijkheden. Biesheuvel keurde dit contact met zijn staf goed.

In juni 1972 werd een eerste debat gehouden over deze kwestie, die later tot "de generaalskwestie' zou uitgroeien. Staatssecretaris Van Es (AR) hield het in september 1972 voor gezien wegens het (weer oplaaiende) verschil van mening met De Koster over de structurele opbouw van het ministerie van defensie. De chaos was compleet. Het kabinet-Biesheuvel in zijn nadagen zag geen kans meer de schade beperkt te houden. Toen vervolgens het kabinet-Den Uyl er dreigde te komen, achtte Luns de tijd rijp om in te grijpen.

Met voorbijgaan aan de fractiespecialisten had het duo Schmelzer-Luns een reeks van bezwaren tegen het door de toenmalige progressieve drie geformuleerde beleid, neergelegd in Keerpunt '72, op papier gezet in wat heette een "commentaar'. Dit commentaar was toegespitst op mijn aanvullende notitie over te realiseren bezuinigingen in 1973, het eerste jaar van het nog te formeren kabinet-Den Uyl.

De bemoeienissen van Schmelzer lagen voor de hand, hij was tenslotte nog minister van buitenlandse zaken. Maar de activiteiten van de toenmalige secretaris-generaal van de Navo Luns deugden natuurlijk van geen kant. Deze internationale ambtenaar zag er kennelijk geen been in al tijdens de formatie te proberen invloed uit te oefenen op het programma van een nog te formeren kabinet in een van de lidstaten; zo op het eerste gezicht alleen beleidsmatig, maar met de achterliggende bedoeling door harde kritiek op het defensie- en buitenlands beleid van de PvdA c.q. de progresieve drie (PvdA, D'66 en PPR) de vorming van een progressief kabinet onmogelijk te maken.

Via het hoofdkwartier van de Navo waren een aantal leidinggevenden binnen de krijgsmacht op de hoogte van de actie van Luns. Luns maakte zich bewust voor de tweede keer tot het kristallisatiepunt van het ongenoegen van de "traditionalisten' binnen de krijgsmacht.

Toen het kabinet-Den Uyl er eenmaal zat, vertrok de ene generaal na de andere. De toenmalige politieke leiding van defensie kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de benoeming van twee PvdA-bewindslieden op Defensie (en één als progressief bekend staande KVP'er) de druppel betekende die de emmer deed overlopen.

Mede door al het gedoe rond de generaals liep de produktie van de beloofde Defensienota grote vertraging op. Toen de nota uiteindelijk gereed was (voorjaar 1974) moest consultatie van de Navo plaatsvinden, conform de daarvoor bestaande regels. Luns nam met grote gretigheid zijn kans het op 21 mei bij hem ingediende plan voor de korte, middellange en lange termijn van gepeperde privé-commentaren te voorzien. Deze commentaren bereikten al snel een aantal officieren die de PvdA volstrekt niet zagen zitten.

Het duurde niet lang of een formeel ontwerpcommentaar van de Navo circuleerde op Defensie en bood het kabinet-Den Uyl de gelegenheid, nog vóór het officiële commentaar naar buiten kwam, al officieus te laten weten dat dergelijke uitspraken tot grote problemen zouden leiden tussen de Nederlandse regering en de Navo. Het kabinet heeft de Navo onmiddellijk laten weten dat een officieel Navo-commentaar van deze strekking volstrekt onacceptabel zou zijn.

Het op 9 juli 1974 gepubliceerde officiële commentaar van de Navo, in casu Luns, was iets gematigder van toon dan het ontwerp, maar het loog er nog steeds niet om. Vooral door zijn eerste interne reacties (de "gepeperde commentaren') maakte Luns zich wederom tot kristallisatiepunt van ongenoegen binnen de Nederlandse krijgsmacht.

Een aantal officieren, in en buiten de dienst, wendde zich tot hem met eigenlijk eenzelfde suggestie als in 1965: Kunt u zich niet aan het hoofd stellen van een politieke beweging die "het rode gevaar' kan keren. Wederom niet op de Spaanse of Griekse manier, maar via het forceren van een kabinetscrisis en daarop volgende verkiezingen.

Luns bracht Den Uyl op de hoogte van het bezoek, Den Uyl vroeg mij (en anderen) wat ik er van dacht. Mijn mening toen en nu: Luns stelde Den Uyl op de hoogte van de "coup-poging' om druk uit te oefenen om de Defensienota in aanzienlijke mate te herzien.