Een Japans familieportret; “Wij hebben op zondag vakantie’

In Honjo, aan de rechteroever van de Sumida, woont het gezin Tokuno.

Pa heeft er een eigen bedrijfje. Honjo is een buurt van Tokio waar het wemelt van de kleine bedrijfjes. Overdag wurmen de auto’s zich met moeite door de bedrijvige, smalle straatjes, ‘s avonds is het er uitgestorven en stil. De meeste eigenaren wonen met hun gezin boven de zaak. De woning van de Tokuno’s, een L-vormig etagewoning boven een kleine binnenplaats met opslagruimte en garage voor hun bestelauto’s en de grote luxueuze Nissan, staat een paar straten van de zaak verwijderd.

Tokuno verkoopt karton en metaal aan fabrikanten van wijnvaten. Zijn vrouw helpt de hele dag mee in de zaak, zes dagen per week. Dochter Yochiè (21) studeert rechten aan de beroemde Keio Universiteit. Zoon Hiroshi (24) is salaryman en werkt in Kanda, aan de andere kant van de rivier, vlakbij het financiële centrum van Tokio.

De woning is klein, laag en eenvoudig, zoals de meeste huizen in Japan. Ze bestaat uit een woonkeuken, drie minuscule slaapkamers, een douche, een wastafel, een westerse en een Japanse wc, en een traditioneel Japanse kamer met een huisaltaar gewijd aan Boeddha waar het ruikt naar wierook. Voor deze kamer is nog een kleine overloop waar de ouders slapen op een opklapbed. In de woonkeuken, waar het huiselijke leven zich afspeelt, prijkt een glanzende piano en een ouderwets dressoir met familiefoto’s. In een zijvertrekje staan de tv, video en audio, voor twee sobere zitbankjes. Er is air-conditioning, ook dat is geen bijzonderheid in Tokio waar het ‘s zomers vochtig en heet is. Aanvankelijk woonde het gezin boven de zaak, een ondiep pand aan een nabijgelegen drukke, brede weg. Die traditioneel Japanse etagewoning wordt nu gebruikt voor theeceremonies en als omkleedruimte voor het personeel.

Tussen deze twee panden speelt zich het leven af van de ouders. ‘s Middags om precies vijf over twaalf rept ma zich naar huis om de maaltijd te bereiden. Haar man komt om kwart over twaalf en rust na het eten nog een paar minuten op de bank voor de tv. Om kwart voor één gaat hij terug naar de zaak, vijf minuten later gevolgd door zijn vrouw. Om half zeven ‘s avonds is ma weer thuis voor het avondeten. Na zevenen druppelen dochter, pa en, als hij niet op stap is met zijn collega’s, zoon binnen. Om elf uur ‘s avonds is het huis in een diepe rust verzonken.

De moeder

We zijn Boeddhist. Elke morgen verzorg ik het altaar in de Japanse kamer. Ik zet er rijst, misu-soep en Japanse groene thee neer en verzorg de wierook en de bloemen.

Ik begon achttien jaar geleden in onze zaak te werken, nadat mijn dochter naar de crèche ging. De firma bestaat al zestig jaar. Mijn schoonvader is ermee begonnen. Druk bezig zijn vind ik heel goed. Ik neem op de zaak de telefoon aan voor de orders. Mijn man en het personeel trekken er op uit. We hebben drie man personeel, een boekhoudster die bij mijn schoonvader in dienst kwam en al 40 jaar bij ons werkt. En verder twee mensen die al 15 en 20 jaar bij ons werken.

We merken wel dat het met de economie niet zo goed gaat, maar de afgelopen jaren was het een gekkenhuis. Een vriend van mijn man is aan de speculatie bankroet gegaan. Zijn vrouw is van hem gescheiden. Dat was een drama. Ik geloof dat hij nu weer gewoon salaryman is. Als je een eigen zaak hebt moet je harder werken dan een salaryman. We gaan nooit naar de film, we kijken thuis tv of video. Ik wil graag nog een keer naar het buitenland, naar Europa.

Onze kinderen reizen veel. Wij gaan nooit met vakantie. Wij hebben op zondag vakantie. Ik ben zo druk dat ik geen tijd heb om boodschappen te doen. De leveranciers komen aan de deur. Zondags maak ik het huis schoon, borduur ik, ga ik winkelen of luister ik naar muziek. Ik ben gek op vioolconcerten. Mijn man gaat ook zondags meestal naar de zaak. Hij houdt van koffie, net als zijn vader, en gaat elke morgen om tien uur naar het koffiehuis, al twintig jaar lang.

Na de middelbare school deed ik een tweejarig college. Mijn vader had een dozenfabriek met vier man personeel. We woonden boven de zaak. Ook in deze buurt. Ik heb daarna drie jaar lang meegeholpen, mijn man ging meteen na de middelbare school in de zaak van zijn vader werken. Ik was 24 toen ik trouwde, een gearrangeerd huwelijk. Dit jaar hebben we onze zilveren bruiloft gevierd in het Palace Hotel, met ons vieren en het personeel, met een dinertje.

Onze beide kinderen hebben nog geen verkering. Ik maak me daar zorgen over. Ik denk dat een echt huwelijk toch het beste is. Een jongen kan op zijn laatst op zijn 30ste trouwen, een meisje op haar 25ste. Hiroshi is nu 24, Yoshiè 21. Hiroshi kan boven de zaak wonen, maar het is er nu heel wat drukker aan de straatkant dan vroeger met al dat verkeer, en ik weet niet of hij daar zin in heeft.

De dochter

Mijn rechtenstudie duurt vier jaar. Volgend jaar studeer ik af. Ik wil dan de opleiding voor diplomaat doen, die duurt twee jaar. Het toelatingsexamen diplomatie is heel zwaar. Je hebt twee keuzes, de tweede opleiding is lager, maar je kunt je dan specialiseren, bijvoorbeeld op Duitsland. Ik studeer er nu Frans en Duits bij. Engels heb ik al gedaan.

Op mijn universiteit wordt heel hard gewerkt. Sommige studenten volgen niet alle colleges, sommige zelfs geen een, maar dat zijn de knapsten, die hebben bijbaantjes. Bijbaantjes worden steeds populairder, maar ik heb er geen een. Studenten in alfa- en gammavakken aan minder goede universiteiten hebben een paradijselijk leventje. De meeste studenten hebben geen doel, geen idee van wat ze na hun studie zullen doen. Ze weten zeker dat ze een baan krijgen, dus waarom zouden ze studeren en zich zorgen maken.

Beurzen bestaan hier niet. Japanse werknemers krijgen twee keer paar jaar een bonus van drie keer het maandsalaris. Dat bedrag gebruiken ze voor het onderwijs van hun kinderen. Mijn opleiding aan de universiteit kost mijn ouders tienduizend gulden per jaar.

De woning boven de zaak gebruik ik voor mijn theeceremonies. Mijn lerares is 92, maar ze zegt dat het leren nooit ophoudt. Ik doe het nu al zeven jaar. Tot mijn zesde hebben we boven de zaak gewoond. Toen werd mijn opa ziek, longkanker, en zijn wij bij hem introkken. Mijn moeder verpleegde hem. We gingen van een Japans naar een Westers huis, met alleen een Japanse voorkamer.

Aan deze kant van de rivier klit men erg aan elkaar. Mannen gaan ‘s avonds samen drinken, vrouwen komen bij elkaar om de buurt mooi te houden. Ze roddelen over mensen die niet meedoen, die het te druk hebben. Ze roddelen denk ik ook over ons. We vallen een beetje buiten de boot. De meesten in deze buurt hebben geen personeel, wij wel. We zijn ook heel anders dan een salaryman-gezin. Vrouwen van salarymen werken niet, die hebben een gemakkelijk leventje, ze kunnen doen wat ze willen, golf spelen, theeceremonies houden. Ze zijn wel heel eenzaam, geloof ik.

Ik kan aan mijn vrienden zien wiens vader salaryman is en wie niet. Ze pretenderen te werken. Mijn broer klaagt altijd over collega’s die niets doen, die wachten totdat de baas weggaat, dan kunnen zij ook weg. Dat zie je terug bij hun kinderen, ze willen na de universiteit meteen aan de slag. Ze kiezen voor een onderneming, niet voor een bepaald soort werk, en rekenen op een levenslange baan. Dat systeem zal wel niet veranderen. Dat we economisch toch zo succesvol zijn, komt denk ik door ons karakter. Bovendien is de bureaucratie erg solide, ze controleert ons goed.

Ik ben drie keer in het buitenland geweest, in Amerika, Australië en Europa, en deze zomer ga ik naar Wenen, voor een taalcursus Duits. Kinderen die met hun ouders lang in het buitenland verblijven hebben grote problemen als ze terugkomen. Ze zijn anders. Ze zijn hun bescheidenheid kwijtgeraakt.

De zoon

Ik ben een geluksvogel. Ik ben een jaar in Amerika geweest. Mijn opa denkt dat iedere buitenlander Amerikaan is; dat denken alle oude mensen. Verder nog zes maanden in Europa en drie maanden in Australië. Dat hebben mijn ouders betaald. Reizen is volgens mij de beste scholing. Sommigen op mijn werk zijn jaloers op me. Meisjes hebben meer vrijheid dan jongens, gaan dan ook vaker met vakantie naar het buitenland, zij trouwen, hoeven zich minder zorgen te maken om hun carrière.

Als ze vragen wat ik doe zeg ik dat ik salaryman ben. Mensen die voor grote bedrijven werken noemen altijd eerst de naam van de firma, ze vinden dat goed klinken. De meeste werknemers noemen zich salaryman, ook de fabrieksarbeiders, ze kleden zich net zo, hebben ook een leren koffertje. Weet ik veel wat ze er in hebben, misschien wel een schroevedraaier?

Na de middelbare school ging ik twee jaar naar een technisch college. Ik heb wel geprobeerd op de universiteit te komen, maar zakte twee keer voor het toelatingsexamen. Ik werkte niet zo hard geloof ik. Mijn zusje wel, zij is heel serieus.

Na mijn werk ga ik niet vaak met mijn collega’s op stap. Maar twee keer per week. Ik houd niet van alcohol, drink nog geen half glas, dus ik vind het vervelend. Sommigen gaan elke avond, ze gaan dan niet naar huis, maar slapen in een capsulehotel. De baas wil graag dat ik meega, hij betaalt, ons kost het nooit wat. Op zo’n avond wordt er heel wat slap afgeluld. De meeste kinderen zien hun vader alleen op zondag. Natuurlijk is dat zwaar voor de moeders.

Ik verkoop gietmachines, begin om negen uur en werk tot zeven uur ‘s avonds. Meestal voer ik reparaties uit voor klanten.

Als ik de zaak van mijn vader overneem wil ik uitbreiden, ik wil importeren, spullen uit het Westen, antiek bijvoorbeeld, en in Japan een postorderbedrijf beginnen, daar is een markt voor.

Mijn moeder komt uit een gezin van acht kinderen, twee zijn er doodgegaan tijdens de oorlog, door gebrek aan voedsel of zo. Maar zij is heel vitaal. Mijn vader is een workaholic, ik niet: hij gaat na het avondeten altijd weer aan het werk, zo wil ik niet worden.

Van dit gedeelte van Tokio waar wij wonen houd ik. Ik heb een scooter, een Italiaanse Vespa - import, dus peperduur - daar ga ik ‘s zondags soms mee de bergen in. In het weekend ga ik hier in de buurt uit en kom dan heel laat thuis, tegen twee of drie uur, maar door de week ga ik om elf uur naar bed, sta om zeven uur op. Ik kijk heel veel tv, huur eens in de veertien dagen een video. Ik houd erg van Monty Python. ‘s Zaterdags, als ik vrij heb, ga ik tafeltennissen met collega’s op de Ginza, heel goedkoop, nog geen drie gulden voor een hele middag en nooit druk, hoewel het het duurste stukje grond ter wereld is, zeggen ze.

Doordat we zo vlak bij de zaak wonen, hoeven mijn ouders niet urenlang te forensen. Ik werk in de stad en mijn zusje studeert in de stad. Zodoende zien we elkaar veel. Ik houd daar van. Het hoort wel typisch bij mensen met een eigen zaak, in die zin zijn we heel apart denk ik.

Ik blijf thuis wonen totdat ik trouw, ik moet wel, niemand woont op kamers, dat is onbetaalbaar. Maar het is wel verdomd moeilijk om een huis te krijgen, misschien blijf ik alleen en sterf ik ook alleen.

De vader

Dat ik mijn vader in de zaak zou opvolgen was voor mij heel gewoon, aan een ander beroep heb ik nooit gedacht. Door de recessie in de auto-industrie en de elektronica gaat het in onze bedrijfstak nu ook slecht. Nadat mijn zoon mij opvolgt en de zaak overneemt, zou ik willen reizen. Ik wil meer van het leven maken, meer van het leven genieten, hoewel ik aan werken geen hekel heb.

Ik voel me momenteel in een erg verantwoordelijke positie, ben in de zaak met van alles belast. Maar eerst moet mijn zoon nog een tijdje werken om ervaring op te doen. Ik houd ervan om uit eten te gaan in goede restaurants of trips te maken naar oorden met hete baden. Toen ik jong was ging ik vaak in de bergen skiën. Skiën, schaatsen en autorijden waren mijn favoriete hobby’s.

Toen ik jong was leerde ik dat werken het belangrijkste was. Mijn ouders heb ik hun hele leven lang keihard zien werken om de door de oorlog vernietigde economie weer op te bouwen. Ik wil dat mijn kinderen waardevolle persoonlijkheden worden die verantwoordelijkheden dragen voor de toekomstige wereld. De oorlog betekende voor heel Japan armoede. Ik was zes toen de oorlog voorbij was.

Nee, over de bezetting wil ik niet praten.