De wet van Larette

De man in de gammele bestelwagen rijdt haastig, neemt elk oranje stoplicht, nee, bij het hoofdpostkantoor haalt hij het niet, het licht springt op rood. Terwijl hij wacht pakt hij een ei dat op de stoel naast hem ligt. Het springt over de kootjes van zijn vingers, verdwijnt achter de geopende hand en komt dan vlug uit de andere hand te voorschijn.

De vrouw in de auto links kijkt toe en maakt het gebaar van applaus. Haar handen raken elkaar net niet.

's Nachts heeft het geonweerd, nu is het zonnig op een morgen in augustus. De gele auto rijdt verder, op elke wieldop wervelt een cirkel die uit kleine door de snelheid met elkaar verbonden figuurtjes moet bestaan. De bestuurder zou de plassen makkelijk kunnen vermijden, maar hij scheurt er baldadig doorheen, het water spat alle kanten op, steeds ontstaat op het droge deel van de middenweg een ster die begint te verdampen.

Hij kijkt even om naar de achterbank alsof wat vlakbij hem is zo maar weg zou kunnen raken. Daar ligt een in elkaar geklapte hoge hoed naast het roodwitblauw van een streng zijden zakdoekjes. Het ingelijste portret van een jonge vrouw met golvend rood haar en amandelvormige ogen uit de negentiende eeuw raakt aan een klassiek smoking met een brede glimmende streep op de broekspijpen. Hier en daar gloeien de puntjes van sigaretten die, net als de zilveren rijksdaalders in het handschoenenkastje en het stenen ei, de man vingervlug hebben gemaakt.

Het grote politiebureau, weer een net niet gehaald stoplicht. Zonder dat hij omkijkt laat hij zijn rechterhand tussen de twee stoelen doorgaan en even later komt er van achter een oor een brandende sigaret. Elke oefening wordt een uitvoering, altijd is er wel een automobilist die in het rijdende theater kijkt.

“Un prestidigitateur! Un prestidigitateur!” roept een Belgisch jongetje tegen zijn vader. Die kijkt maar even opzij, de voorstelling is aan hem niet besteed. De jongen wijst ook naar de sterretjes op de wieldoppen en ziet hoe ze in beweging komen, sneller, steeds sneller tot ze in twee kleurige cirkels overgaan die achter het open balkon van een tingelende tram verdwijnen.

Het jeugdige publiek heeft deels gelijk. De chauffeur is onderweg naar de Hongaarse illusionist Larette, zijn leermeester, die misschien iets bijzonders voor hem heeft. Maar het schilderij met de gekrulde lijst dat nog bezorgd moet worden, zegt net zoveel over hem als de hoge hoed en de beweeglijke sigaret. Al een paar jaar werkt hij bij een bekende zaak in de oude stad, een baan die hij kreeg vlak na de kroning van de prinses, ze heeft al vier dochters.

Zorgvuldig snijdt hij daar lijsten en passepartouts. Z'n handen zijn door het bewerken van hout, glas en karton heel trefzeker geworden. Hij weet hoe olieverf, waterverf, pastels en de andere verfsoorten zijn samengesteld. Als een klant binnenkomt met een kunstwerk dat bij een ruzie door een glas bier of jenever is getroffen kan hij hem helpen. Op de kade bij het hoge hotel stopt de lijstenmaker en stapt uit. Wat zou Larette nog voor hem bedacht hebben? Voorlopig is hij niet gerust over zijn eigen bagage, opent de deurtjes van de korte laadbak en kijkt of er tijdens het rijden iets is verschoven.

Zijn handen glijden over de slim in elkaar gestapelde meubels en voorwerpen. In die kist kan hij vluchten, het tafeltje met het ronde blad en de ranke poten zweeft hoog boven het toneel, de floret doorboort met één steek alle kaarten van een in de lucht gegooid spel, uit de helgele ketel komen drie verschillende vloeistoffen, die ene rode bloem verandert in een hemelsblauw boeket, uit een lege kist vliegen twee duiven op.

Hij verzet een doos met ringen, glazen, grote dobbelstenen, een wijzerplaat en een konijn, al is dat niet nodig, alles staat goed. Als hij verder rijdt denkt hij aan al de talenten in rust achter hem, in z'n gedachten werken ze, rijdt hier een auto die van kleur verandert, boven het verkeer zweeft en zelfs onzichtbaar kan worden. Hoe het ook gebeurt, altijd houdt hij zich aan de eerste wet van Larette, verklaar nooit iets, vergeet niet dat als u de spanten en de verborgen stippellijnen van een voorval verraadt alle moeite vergeefs is geweest.

Hij is artiest in zijn vrije uren, op bruiloften en partijen en de laatste tijd ook wel bij het variété. Met jongleurs, komieken en vuurvreters treedt hij op in het oude theater van een volksbuurt. Zijn moeder heeft als meisje nog gezien hoe de vrouwen daar 's middags aardappelen zaten te schillen als ze naar een toneelstuk keken.

Laatst werd hij gevraagd in het voorprogramma van de luxe bioscoop tegenover het nieuws en tekenfilmtheater. Hij moest het opnemen tegen een fantastische Engelse film waarin een buikspreker zijn pop wurgde. Wat kon hij daar tegenover stellen?

De wonderen van het kleinste, het manipuleren met munten en sigaretten, doekjes en ringen, speelkaarten en eieren. Hij had er hard aan gewerkt dat ook het geringste gebaar tot op de achterste rij van de grote filmzaal werd opgemerkt, omdat hij weet dat kleine rekwisieten soms niet verder reiken dan de twaalfde of dertiende rij en daar terugstuiteren naar het toneel, zoals dat in vakkringen heet.

Zijn moeite werd beloond. Op een avond zat de directeur van de grootste schouwburg in de stad helemaal achterin. Hij vond de dans van de witte bal en de rode doek op twee gekruiste stokjes van een Japanse verfijning, simpele bewegingen overbrugden een zee van ruimte.

De volgende dag belde hij de lijstenmaker onder zijn werk op. Voelde hij iets voor een kort nummer in de grote revue? Als hij het tenminste met zijn baan kon verenigen, dat sprak vanzelf. Het was nog niet meer dan een voorstel, eerst wilde de directeur dat hij een proefvoorstelling in de grote zaal aan de rivier gaf. Hij moest zelf maar eens laten zien hoe hij zich dat optreden voorstelde.

Bij de rijkspostspaarbank slaat hij rechts af. Het is tien uur 's morgens, hij moet pas om twee uur in het theater zijn.

Hij gaat een stille zijstraat in. Er staat geen auto langs het trottoir. Langzaam zou hij naar het hoekhuis naast de rode brievenbus kunnen rijden, hoe vaak is hij er niet geweest. Het juicht zo in zijn hoofd dat hij gas geeft en zijn auto met een schok tot stilstand laat komen.

Het ei rolt van de stoel naast hem. Hij voelt zich onverwoestbaar en raapt het niet eens op. Het is niet echt door de zwaartekracht overmeesterd. Alleen hij beslist of het zal dalen of stijgen, wanneer het verdwijnt of terugkeert, hij kan het in een rode bal veranderen.

Vergeleken met zijn handen is de vloer van de wagen een armoedige vlakte die het ei tot geen schijnbeweging kan verleiden.

Voor de proefvoorstelling heeft hij nog niets uitgekozen, daarom heeft hij zoveel bij zich, hij vertrouwt op de ingeving van het laatste ogenblik. Misschien niet meer dan een paar kleine voorwerpen, een manipulatie als in de bioscoop. Of vraagt deze grote zaal om een overweldigende aanpak met de vluchtkist en de zwevende tafel? Wie weet wat Larette er nog aan toevoegt, zijn stem klonk ernstig door de telefoon, alsof hij een nummer heeft gevonden dat elke ruimte moeiteloos verovert.

Hij belt en belt maar Larette doet niet open of is niet thuis. Moet hij straks alleen voor de directeur optreden? Hij ziet de zaal met duizend stoelen voor zich en daar zit die ene man, op de eerste rij, in het midden, op het balkon.

In blauwe sierletters staan de woorden Studio Larette op het wit geëmailleerde bordje. Toen hij hier voor het eerst aanbelde vond hij het een wel heel doorzichtige schuilnaam, een parmantige knieval door die overduidelijke toespeling op de grote kunsten. Nadat hij zijn twintig jaar oudere collega beter had leren kennen was hij er een keer schoorvoetend over begonnen. Maar de man heette werkelijk zo, zijn vader was van Franse afkomst.

“Hoe zou jij willen heten?” vroeg Larette. Zijn jeugdvriend had nog geen artiestennaam.

“Balsamo of Pinetti,” antwoordde hij.

“Je grote voorgangers? Die namen liggen voor de hand.”

Larette had hem aangeraden het publiek zijn naam te laten kiezen, elke keer opnieuw. Het was vast een schitterend begin, een samenspraak van de artiest met de zaal, zelfs zijn naam stond niet vast. Hij was jammer genoeg te laat op het idee gekomen, anders had hij het zelf wel gebruikt, van Larette kwam hij nooit meer af.

Het blijft stil in huis. Hij loopt de tuin in en kijkt naar binnen. Nee, er is niemand te zien, stofjes dansen in zonnebanen. De huiskamer verraadt niets over het beroep van de bewoner. De meubels zien er gemiddeld uit, als de dikgerande tekeningen in een kinderkleurboek.

De lijstenmaker doet een paar stappen naar achteren en kijkt naar de eerste verdieping. Misschien is zijn leermeester boven, daar zijn de werkvertrekken.

“Hallo Houdini the Great,” zegt iemand achter hem. De man loopt hem voorbij, opent de deur en gaat de trap op. Hij volgt hem. Ze zijn in een van de bekendste alledaagse triniteiten verzeild geraakt, binnenkomen en straks afscheid nemen en weggaan. Volgens Larette gaat het in hun werk om die vertrouwde beweeglijkheden en ook om de altijd weer in het oog springende vaste vormen, de hoeken van een trap, de bogen van een leuning, de cirkel van een tafelblad. Bij elke voorstelling zijn ze daar rechtstreeks op aangesloten, proberen ze van die vanzelfsprekendheden een ongelooflijke variant te geven, ontstelen ze het publiek zijn algemene kennis over het meest nabije.

De tegenstelling tussen de woonkamers en de werkkamers is op het eerste gezicht niet eens zo groot. De kasten, tafels, stoelen en de andere meubels wijken door de opvallende kleur van hun collega's beneden af. Zelfs de lijstenmaker kent nog niet alle geheime vakken en dubbele bodems die ze nu voorbijgaan. Alleen Larette weet welke wereld er achter het tafelblad en de kastdeuren, in de stoelpoten en de zittingen, achter spiegels en wijzerplaten schuilgaat.

Hij gooit een grote dobbelsteen op een dienblad, de vlakken met cijfers zijn onmiddellijk in een beker veranderd, hij laat de bladzijden van een prentenboek met dieren drie keer langs zijn vingertoppen ritsen, eerst zie je een tijger en een papegaai in kleur, daarna in zwart-wit, tot slot zijn ze van het nu blanke papier gevlucht, hij houdt een hand voor een scheerspiegel, alleen de schaduw is in het glas te zien.

Het zijn de vlugge inleidingen op wat hij aan de lijstenmaker geeft. Het is een middelgroot kistje dat aan zes zijden met een boslandschap is beschilderd, onder, boven en opzij, hoe je het ook houdt, altijd zie je beuken, eiken en kastanjes. Het is heel romantisch met die rode en gele bladeren in dat gezeefde zilveren licht, de maan zelf is niet te zien. Het moet in de vorige eeuw zijn gemaakt, het woud hoort bij straatorgels en circustenten, barsten en grillige strepen lopen door de stammen, de takken en het mos.

Er zit een schuifdeksel op. Larette zegt dat de lijstenmaker het kistje pas aan het eind van de proefvoorstelling mag opendoen. Dan is het ook voor hem een verrassing, er komt geen vingervlugheid aan te pas. Hij heeft nog een idee: waarom laat zijn vriend niet meteen een paar publiciteitsfoto's maken? Nee, dat loopt niet op de dingen vooruit, het is goed voor z'n geluk. Hij heeft al een afspraak voor hem gemaakt, dit is het adres, op de korte gracht vlakbij het grote museum.

De plassen op straat zijn nog lang niet allemaal verdampt, ze deren hem niet, roekeloos rijdt hij in de buurt van de muziektempel door een weerspiegeling van een ambassade en twee kastanjebomen, het beeld bespat een fietser en twee voorbijgangers. Het bos in 't maanlicht ligt op de achterbank, even heeft hij er over geaarzeld de schat meteen op te delven maar die komt straks wel in het theater. Zelfs het dienblad, het prentenboek en de scheerspiegel heeft hij meegekregen, die zitten in de laadbak.

Een fotograaf, natuurlijk, waarom niet? Publiciteitsfoto's zijn nooit weg, Larette wil hem door die pose in een studio natuurlijk zekerheid geven, hij zal zijn smoking aandoen, staat voor een gordijn, het licht wordt gedempt. Ja, dat is het, een paar uur voor de auditie kan hij al in zijn rol groeien, Houdini The Great, Professor Zippo, Cardon, of hoe hij dit keer zal heten, de directeur mag het zeggen.

Voor een stoplicht raakt hij geen ei, geen sigaret meer aan. Hij maakt geen onderscheid meer tussen zijn bagage en de bebouwde omgeving, alles ziet er verraderlijk gewoon uit, het verbergt zijn werkelijke aard, een brug, een garage, een telefooncel, als in de werkkamers van Larette.

De lijnen en vlakken van de vluchtkist keren terug bij loodsen en andere platte gebouwen, zijden zakdoekjes hangen aan waslijnen, zullen straks in een eindeloze streng aan elkaar worden geknoopt, aan vier, vijf spitse torens kan een heel spel kaarten worden geregen, twee duiven vliegen terug naar hun lege kist, de ketel schenkt zijn vloeistoffen in cafés en koffiehuizen, dierenwinkels verkopen hun laatste konijn, de kleuren uit het prentenboek ontsnappen bij stallen met rozen en hemelsblauwe boeketten.

De fotograaf is vriendelijk en gunt de lijstenmaker de tijd om zijn smoking aan te trekken. In het kleedkamertje staat hij voor de spiegel en hij kan het niet nalaten de geheime zakken al vast te vullen. Balletjes, zakdoekjes, ringen, munten, sigaretten, kaarten en dobbelstenen komen uit een tas en verdwijnen in openingen die op de technische tekeningen in zijn studieboeken met stippellijnen worden aangegeven, omdat ze onder de stof van het pak onzichtbaar zijn. Nu nog de hoge hoed, ingeklapt en weer uitgeklapt, de voering wijkt terug, het konijn met de gloednieuwe vering glijdt erin.

Hij loopt van de spiegel weg, bekijkt zijn lange gestalte en slaat de laatste ongelijke plekken op zijn smoking plat, hier staat een man klaar voor een schouwburg, een revue, een nummer dat nooit meer zal eindigen.

“Hoe heet u op het toneel?” vraagt de fotograaf. Hij kent het beroep van zijn cliënt en probeert hem, wellicht onnodig, met lichte conversatie op zijn gemak te stellen.

“Dat mag u zelf zeggen.”

De fotograaf geeft geen antwoord en duikt onder zijn doek. Op zijn aanwijzingen beweegt de artiest z'n smalle benige gezicht met het achterovergekamde donkere haar naar links, iets naar rechts voor een driekwartsprofiel. Hij strijkt op eigen initiatief over zijn kostuum, geen rekwisiet probeert zijn come-back te maken, elke hoek, elke bol, elke lijn heeft zich tot nader order onder het oppervlak van deze smoking teruggetrokken.

De hoed gaat op het hoofd, voor de borst, naast een heup.

“Abracadabra,” zegt de fotograaf.

Hoe vaak is die naam in de zaal niet naar hem geroepen. Wat maakt het uit? Hij zit er toch niet aan vast. De foto's zijn genomen, het theater lonkt, hij loopt terug naar de kleedkamer.

“Waarom houdt u het pak niet aan?”

Hij heeft niets over vanmiddag gezegd. Dan moet Larette er in zijn halve Hongaars over zijn begonnen toen hij de afspraak maakte. Het is een brutale vraag die hij zonder een woord wil afwijzen. Maar hij weet ook dat hij lichtgeraakt is en daar zelf niet het slachtoffer van mag worden.

In een smoking zit hij achter het stuur. Het pak heeft hem in een overmoedige stemming gebracht die hij niet meer wil verliezen. Sommige automobilisten kijken hem aan, hij ziet wat ze denken en glimlacht, ah, een kelner op weg naar zijn werk. Of verkleden die zich pas in het café of restaurant?

Nog anderhalf uur, dit is de tijd waarin niets hoeft te gebeuren, de opmaat van wat gaat komen, onmisbaar leeg, als iemand die voor een belangrijke reis veel te vroeg van huis vertrekt.

Zelfs als hij zit hindert de inhoud van het pak hem niet. De proefvoorstelling is al begonnen, de huizen, de gebouwen zijn de decors naast de weg die regelrecht naar het toneel leidt. Bij een stoplicht bukt hij zich, pakt het stenen ei en doet het in zijn zak. De kelner verandert in een artiest, hij trekt een wit zijden doekje uit z'n borstzak, zwaait ermee en laat het los, nu is het een rode roos in het knoopsgat van zijn pak.

Dat moet het worden, een man zonder kist of tafel, hij bezit alleen het allereenvoudigste, een doek, een bloem, een munt, een touw, een ring, nu een kort gebaar, een enkele misleidende beweging en die ene vaste lettergreep schudt zich los, waaiert uit in tientallen ongelijken met het hart van dat bos tot besluit.

Hij wil het koloniale museum zien, het is een mooi gebouw, rustig ook, dan hier naar rechts, hij kijkt half achterom, daar staat het portret van de jonge vrouw met het rode haar en de amandelogen achter het bos. Het moet vandaag nog worden bezorgd, nu, meteen. Die gemene champagnevlekken waren moeilijk uit de rode japon te krijgen.

Het kan hem niet meer in verwarring brengen. Het adres is niet ver, hij hoeft maar een kort stuk om te rijden en vandaar is het tien minuten naar het theater aan de rivier.

Als hij bij het herenhuis aan de gracht op de bel drukt heeft hij de hoge hoed op. De uitdossing moet nu maar compleet zijn, het kan hem niet meer schelen wat ze ervan denken.

Een vrouw van een jaar of dertig doet open en kijkt mild naar haar familielid, alsof de rode japon nooit door champagne is geraakt. Ze vraagt hem of hij het schilderij voor haar wil ophangen, maar kijkt hem niet aan. Over het uiterlijk van een lijstenmaker hoeft zij geen oordeel te hebben.

Ze gaat hem voor naar een kamer met hoge ramen. Het getinte vensterglas geeft aan het licht een zweem van blauw. De moet op de muur zegt waar het schilderij hoort.

Hij legt de hoed op een stoel. Waarom doet ze het zelf niet? Het is voor haar te hoog, maar ze had een trap kunnen nemen. Achter zich hoort hij kinderen binnenkomen, hun snelle voetstappen verstommen, ze moeten vlak bij de moeder staan. Een jongen en een meisje praten zacht, hij hoort dat ze iets over hem vragen, wat moet die zwarte man met het portret van tante Heleen? De moeder probeert hun aandacht af te leiden en wil ze meenemen naar een andere kamer.

Hij doet vier, vijf stappen achteruit. Het schilderij hangt recht, volmaakte lijnen. De jonge vrouw kijkt weer voorgoed de kamer in, over de bruine ovale tafel naar zo'n geel koperen schep in een aarden pot naast de schouw.

De lijstenmaker draait zich om. Het is een tweeling van zes, zeven jaar, net als hun moeder lijken ze op het portret. Ze hebben een rood kraagloos hemd met korte mouwen en een blauwe trainingsbroek aan. Nu hij naar ze kijkt gaan ze nog dichter bij hun moeder staan. Hij treedt nooit op voor klanten en een succes bij kinderen vindt hij eigenlijk goedkoop, dat kan iedereen behalen.

Acht kleine ringen komen uit de lucht. Hij wrijft ze tegen elkaar, ze worden groter en groter.

De tweeling kijkt naar de moeder, zoals hij kinderen zo vaak heeft zien kijken. Ze zoeken een hoger geplaatste die hun blik goedkeurt, toestemming willen ze om een gebeurtenis te mogen bijwonen die zich aan oorzaak en gevolg onttrekt. En de moeder zal knikken omdat er geen weg terug meer is.

De ringen zijn nu op hun grootst. Hij laat ze van een afstand aan de kinderen zien, simpele vormen als de meubels in de woonkamer van Larette. Ze zijn duidelijk van elkaar gescheiden, zwaaien heen en weer, vier in elke hand. Nu gooit hij ze op, net niet tot het met engelen gebeeldhouwde plafond, de hoogte heeft hij bij het binnenkomen goed geschat.

En dit ogenblik van de verandering zullen ze zich blijven herinneren, een man in 't zwart gooide wel tien glimmende ringen omhoog, roetsj in de lucht, in de kamer, vlak voor het portret van tante Heleen, hij had een hoge hoed op, echt. Ze vielen allemaal tegelijk, hij ving er een, je zag niet of 't een ring aan de kant of in 't midden was, het ging zo vlug, hij ving er nog een en al die andere ringen zaten daar tussen, eraan vast, een slinger van ringen had hij in zijn handen.

De directeur is die middag een broodje halfom en een haring gaan eten in de tuin van het statige hotel aan de rivier. Om tien voor twee loopt hij terug naar zijn theater. Hij heeft geen jas aan, soms regent het een beetje en soms schijnt de zon, vreemd weer. Wie komt er straks voor die proefvoorstelling?

De naam is hij vergeten, een man die met munten, sigaretten en speelkaarten manipuleerde in het voorprogramma van een bioscoop. Die kan zijn kunsten op kantoor laten zien, dat is groot genoeg. Goed was hij wel, misschien iets voor een nummer van zes minuten na de pauze in de grote revue.

Hij kijkt naar de overkant van de brede rivier. Als enige ziet hij de beide kanten van de brug schuin tegenover zijn theater, hij loopt naar het water en roept, gebaart met z'n armen.

De drie bruggen op de klinkerweg zijn rond. Trek de weg tussen de twee gebogen leuningen van een brug maar met een stippellijn door en er ontstaat een volmaakte cirkel. Daarom zijn ze ook zo mooi, als elke schoonheid die zich deels toont.

Een bestelwagen rijdt door een diepe plas in het dal tussen twee bruggen. De bestuurder kan een seconde of vijf niet zien hoe de weg aan de andere kant van de brug wordt gebruikt. Hij probeert er zich natuurlijk wel een voorstelling van te maken. Toch moet hij er rekening mee houden dat een andere wet van Larette hier onverwachts aan betekenis kan winnen: het publiek ziet voor zich wat niet gebeurt, maar het heeft geen idee van wat er werkelijk plaatsvindt.

Zo heeft Larette het ook geleerd aan Houdini the Great, Professor Zippo, Cardon, Abracadabra en hoe de artiest zonder naam al verder heeft geheten. In hun vak wordt het publiek beïnvloed om het op een dwaalspoor te brengen. Het gelooft dat een kleurig voorwerp nog op een zekere plaats is terwijl het al naar een ander punt is overgebracht. Altijd zit het publiek vast aan wat er hoort te gebeuren. Het weet pas dat het door een onzichtbare tegenkracht is misleid als de handeling zich al heeft voltrokken.

De donkerblauwe Amerikaanse auto die links reed staat gaaf en roerloos midden op de brug. De bestelwagen is scheef tegen de brugleuning bij de rivier geschoten. Het rechter voorwiel tolt nog, langzaam worden de sterren op de wieldop stuk voor stuk zichtbaar. De neus is opengereten. De achterste deuren en de deuren van de laadbak staan wijd open. Voorbijgangers blijven op een afstand, moeten eerst wennen aan wat ze zien voor ze dichterbij durven te komen, het is nog maar net gebeurd.

Twee duiven vliegen op uit het wrak. Een tafeltje met ranke poten tuimelt op de klinkers, een vluchtkist, een helgele ketel, een floret, een scheerspiegel, ze vallen met tergend ongelijke tussenpozen, begeleid door speelkaarten.

Dan glijdt het landschap van de achterbank en sleept de streng zijden zakdoekjes in alle kleuren van de regenboog met zich mee. Het bos is tot over de rivier te zien, het stuitert niet terug, nee, het stuitert niet terug.

Door de schok is de deksel van het kistje geschoven. Onder de ogen van de directeur en het publiek stijgt de maan op uit het nachtwoud, vol en geel, zweeft boven de rivier, klimt naar het blauw en komt hoog boven de koepel van het theater tot stilstand.