De Rivier

De Waal met twee a's leerde Koos van Zomeren op school (NRC Handelsblad, 30 juni), maar iedere rasechte Nijmegenaar kent dit twee regelige rijmpje: “Dr-uut! Dr-uut!!” “De Waol die kruut!”

Dit slaat op een zeldzame gebeurtenis van het kruiend ijs op de Waal (bijvoorbeeld in de winter van 1939-'40 en 1946-'47), wanneer iedere bewoner naar de Waalkade holde om deze zeldzame gebeurtenis met eigen ogen te aanschouwen. De "Waol' werd dan uitgesproken met die zelfde weeë klank, die Koos van Zomeren zijn vader probeert na te spreken. Zelf gaf hij de voorkeur aan het gebruik van het woordje de "Stroom'. Daarvoor moest hij teruggaan tot een Winterkroniek van het Rivierengebied in de jaren 1423-4: “.... waart die Stroem vol ijssginck (ijsgang)”. Stroem moet dan worden uitgesproken als stroom, omdat de letter e hier de functie heeft van een verlengings e.

Op 12 september 1969 kreeg ik van mijn heeroom Johannes Derksen, een streekromanschrijver uit Emmerik, een van zijn romans en een origineel manuscript met een persoonlijke opdracht vergezeld van een versje in Emmericher Platt, slaande op de grensovergang van de Nederrijn bij Lobith-Tolkamer: “Door achter blenkt deze Stroom noch ens; Hej es noch net as vöor de Grens.”

Mijn plat Nimweegs was voor mijn Emmerikse familie evenals het Klever Platt links-rheinisch in tegenstelling tot het Emmericher Platt, dat rechts-rheinisch was.

Het verschil zat juist in die weeë klank van de "Waol'.