De claque

Abraham liet de deur achter zich in het slot vallen, riep "Joehoe!' en bleef even doodstil staan. Geen antwoord. Half zes, mooi weer, niet te warm. Dan kwam Line weleens om half zeven thuis; dat betekende een uur vrij ademen voor de kluizenaar die in zijn ziel woonde. Langer hoefde niet want dan zou hij op twee manieren ongerust worden: door het besef dat ze nu ieder ogenblik kon komen zodat het kluizenaarsplezier bedorven was, en uit ongerustheid zodat hij af en toe voor het raam ging staan om te zien of ze er al aankwam. Een uur was precies goed.

Stap voor stap veroverde hij de lege gang, bekeek de kapstok waaraan alleen dingen van haar hingen, in het bijzonder een boodschappennetje van gevlochten touw dat haar bijzondere trots was: handig, elegant en je zag het nergens. Waarom had ze dat niet meegenomen? Opeens dacht hij dat ze nooit terug zou komen, voorgoed vertrokken, of dood. Dat deed hij wel meer en daarop volgden de paar seconden van peilloos zelfmedelijden. Bij wijze van bezwering nam hij het netje van de haak, hing het weer op en liep met de krant naar de kamer. De kluizenaar, van alle gemakken voorzien, begon te lezen wie er waren gestorven en waaraan, voorzover dat uit de tekst viel op te maken. Hij voelde zich uitstekend, zette ter bevestiging daarvan een plaat op en wilde verder met z'n krant toen hij de sleutel in het slot hoorde. Godverdomme!

“Ben je er al!”

“Ja, hier!” Hij zette zich in welkomstpostuur maar ze kwam niet binnen. Haar stappen gingen richting slaapkamer. Daar hoorde hij haar zachtjes zingen, een onbestemd wijsje, eigen compositie, in majeur; geen twijfel mogelijk.

Het duurde lang in de slaapkamer. Ze was bezig een wat duur uitgevallen aanschaf op te bergen natuurlijk; iets dat ze over een paar weken opeens achteloos zou dragen alsof het al jaren in de kast hing, en dan zou hij er even achteloos iets van moeten zeggen. Wat ze ook kocht, hoeveel het kostte, het kon hem niets schelen zolang het gezang in majeur veroorzaakte en hij er met goed fatsoen naast kon lopen. Geen nertsjas of een idiote hoed van het soort dat ze bij de paardenrennen droegen.

Line kwam binnen; ze had haar make-up ververst. Abraham zette zijn bril af. Dat was niet, zoals hij hoopte dat ze zou denken, om haar beter te kunnen zien maar juist minder goed. Uit de verte van een meter of drie en met make-up was ze een biologisch wonder van geconserveerdheid, geen vijfenvijftig maar misschien zelfs nog niet eens veertig. Binnen de drie meter, als hij zijn bril op had, kon hij tot op de maand zien hoe oud ze was. De ramp van de tijd voltrok zich iedere dag op een andere manier: dan weer eens aan haar hals, of plotseling aan de lijn van haar kin of onder haar ogen; soms duurde het een poos voor er een deel van haar gezicht was veranderd en dan, de volgende avond als ze tegenover elkaar aan tafel zaten, bleek dat de trage rupsen onder haar huid weer een heel gebied had veroverd. Telkens een millimeter op weg naar de definitieve gedaanteverwisseling die een mens oud, tot een andere soort, een ander ras maakt.

Dat deed hem verdriet en het maakte hem somber en boos. Zijn eigen naderende ouderdom beschouwde hij als de bevestiging van de gevangenschap die hij al lang geleden had ontdekt. Hij verzoende zich ermee door mateloos te werken. Dat het verval ook haar besloop leek hem onrechtvaardig en haar verweer gaf hem een gevoel van verlies, het definitieve bewijs dat, welke zin hij van dag tot dag aan zijn leven ook mocht geven, de uitzichtloosheid van het geheel sterker was. Die hele filosofie hield hij zorgvuldig voor zich.

Midden in de kamer bleef ze staan. “Nou! Wat me vanmiddag is overkomen, op straat. Wel een uur ben ik door een grote zwarte neger achtervolgd! Hoe vind je dàt!”

“Geen wonder.”

“Je houdt me voor de gek.”

Hij gaf geen antwoord. Het was geen kwestie van voor de gek houden. Er waren nu eenmaal dingen die je niet meende en ook niet voor niets zei; het grote schemergebied waarin zoveel gesprekken van oudere echtparen zich afspelen. Grote zwarte negers waren een zegen voor op straat lopende, niet meer zo jonge vrouwen en dus ook voor de mannen met wie die vrouwen de huiskamer deelden. Nooit hoorde je van kleine zwarte negers of grote witte blanken.

“Af en toe, als ik voor een etalage stond, kwam hij naast me staan.”

“Heeft-ie nog iets gezegd?”

“Nee. Ik voelde dat hij op het punt stond maar toen ben ik in de bus gestapt.”

“Nou! Wie weet wat hij je had voorgesteld als je hem had laten praten. Hoe zag hij eruit?”

“O, een keurige man. Een jaar of veertig. Wil je iets drinken? Zal ik een glaasje voor je halen?”

Ze dronken er een meer dan anders, ze neuriede verder terwijl ze aan het koken was. Onder het eten overwoog hij of hij op haar ontmoeting zou terugkomen. Nog wat belangstelling tonen kon soms wonderen doen; maar hier had het wonder zich al voltrokken. Door te proberen het mooier te maken kon hij het alleen bederven.

Toen Abraham de volgende morgen de deur uitging lag ze nog in bed. Niet ongewoon, niet onwelkom, want ze had een ochtendhumeur. Monter liep hij de gewone weg naar zijn werk. Bij de bushalte waren twee mannen met pneumatische hamers bezig het plaveisel open te breken; forse kerels in korte broek, armen met olympische spierbundels. Vroeger hielden ze hun hemd erbij aan; toen had hij zich ook al een opdondertje in een veel te net pak gevonden. Als hij met Line op straat liep en er kwam zo'n opbrekerij in zicht had hij graag een omweggetje willen maken. Vrouwen vonden het mooi, de primitieve aanblik van de arbeid, en ze verlangden, ze eisten eigenlijk van die gemeentetarzans een bewijsje van bijval. Als er niet werd gefloten kregen ze behoefte even in de spiegel te kijken. Hij vroeg zich af of er op de school voor stratenmakers een bijvak behandeling van voorbijgangsters bestond. Wisten die mensen wel wat voor belangrijk werk ze deden? Daarbij vergeleken was het opvullen van een paar kuilen een kleinigheid. Beter een kuil in het wegdek dan een vrouw die met haar peilloze somberheid je naar je ouwe dag vergezelde. De stratenmakers sloegen twee vliegen in één heilzame klap. Van nafluiten zou je goed beschouwd een apart beroep moeten maken. Wat doet u voor de kost? Ik ben nafluiter.

In de bus hield het hem bezig. Hoe moest je je zo'n nafluiter voorstellen? Een man van een jaar of dertig, een beetje een nonchalant vrolijk heerschap, niet iemand die de indruk maakte dat hij een trouwe kostwinner was. Een versierder mocht hij ook niet zijn want die droeg het gevaar van verplichtingen en schuld met zich mee. Complicaties hadden de meeste vrouwen bij nader inzien er niet voor over. De ideale nafluiter was gewoon een liefhebber die in het voorbijgaan een blijk van zijn waardering gaf. Brutale hoffelijkheid; een hoffelijke brutaliteit.

Op kantoor monsterde hij de mannen achter de bureaus op een nieuwe kwaliteit. Echte nafluiters zaten er niet bij; hoogstens een paar stiekeme kijkers. Het personeel van de portiersloge bestond uit sufferds, de man in de keuken van de kantine was een schuwe allochtoon. Er gingen een paar dagen voorbij, thuis heerste weer de routine van de lang geleden verworven gelijkmatigheid, grote zwarte negers waren blijkbaar schaars. Op straat en in de bus had hij nog wel wat rondgekeken maar de echte nafluiter diende zich niet aan. De gebeurtenis raakte op de achtergrond.

Op een vroege ochtend, terwijl hij de post zat te lezen, klonk er buiten gerammel. Het raam veranderde in een film water die meteen in brede halen werd weggezeemd. Achter de heldere ruit stond een man in een t-shirt en een spijkerbroek. Hij tikte en gebaarde dat er moest worden opengedaan; zo gebiedend dat Abraham dacht: Dat verdom ik. Maar het was een verzoek dat niet geweigerd kon worden. Hij deed het raam open en om te laten zien dat iedereen in deze maatschappij zijn plaats had, ging hij in de krant lezen.

Over de rand keek hij naar het reinigingswerk. Glazenwassers zijn een eigenaardig soort mensen; individualisten die hoog op de ladder met alleen de vogels als gezelschap hun gevaarlijk werk doen en soms dingen zien waarvan de psychiater of de biechtvader later misschien een afgezwakt verslagje te horen krijgt. Glazenwassers hadden een onafhankelijke geest en een zeldzame kennis van het geheime menselijk leven, en natuurlijk van interieurs.

Deze was een jaar of vijfenveertig; toonbeeld van een man in de kracht van zijn leven. Als hij een gewoon pak zou aantrekken zou hij gemakkelijk directeur van de concurrentie kunnen zijn, dacht Abraham; of beter, gezagvoerder van een 747.

Het werk was klaar. “Zo! U kunt weer zien.” Het klonk vriendelijk maar hij keek er een beetje verneukeratief bij; niet spottend maar alsof hij het tegen iemand had die zich achter dat mooie bureau bezig hield met van alles en nog wat dat hij evengoed kon laten. Hij maakte aanstalten door het raam te vertrekken.

“Mag ik u iets vragen?” zei Abraham.

“Jawel.”

“'t Is misschien een vreemde vraag, maar u hebt een merkwaardig beroep. Ik bedoel: je hoort weleens van glazenwassers dat ze de gekste dingen zien. Er is zelfs een liedje over: When I'm cleaning windows. Wist u dat?”

“Ja. George Formby. Dat is het lied van onze vakbond. Wilde u dat weten? Of wilt u ook glazenwasser worden?” Hij lachte zoals hij had gekeken.

“Nee, ik maak geen grapje. Ik ben er gewoon nieuwsgierig naar.”

De glazenwasser ging op de bezoekersstoel zitten, begon een sigaret te rollen, likte en knipte een vlam uit zijn zippo. Hoe kwam die man aan zo'n superieure zekerheid. “Wat wilt u weten?” zei hij nadat hij een uitroepteken van rook had uitgeblazen. “Ja, wij glazenwassers zien veel en we treffen mensen soms onverwacht in rare situaties. We krijgen ook veel vragen en uitnodigingen. Een kopje thee drinken noemen we dat. Hebt u voorkeur voor bepaalde bijzonderheden?”

“Nee, ik wil u alleen vragen of u zich weleens verbaast”, zei Abraham.

“Nooit. Dat leer je in mijn vak wel af.”

“Maar u bent toch weleens nieuwsgierig als u zulke merkwaardige dingen ziet.”

De glazenwasser haalde even zijn schouders op. “Ach, vroeger wel misschien, maar je leert het af. Er zit niet zoveel verschil in de merkwaardigheden van de mensen.”

“U lijkt me een wijs man.”

“Ik heb er de leeftijd voor. Kom, ik ga weer eens ergens anders naar binnen kijken.” Hij stond op.

“Wacht nog even”, zei Abraham. “U kunt misschien iets voor me doen.”

De glazenwasser keek wantrouwend. “U wilt niet zeggen dat ik ergens een paar papieren van een bureau moet halen. Geen denken aan.”

“Verre van dat”, zei Abraham. “Ik wil u misschien vragen iets te doen waarmee geen enkele wet wordt overtreden en waarmee u geld kunt verdienen, maar ik vraag het alleen als ik u kan vertrouwen.”

“Hoeveel geld?”

Wat verdiende een glazenwasser, wat kostte zijn vertrouwen, wat betaalde je een therapeutische klusser, zwart? Abraham zette zijn ellebogen op het bureau, zijn vingers tegen elkaar. “Het kost u geen enkele moeite. Het is geen zwaar werk, 't is eigenlijk helemaal geen werk en ik betaal u honderd gulden per middag, contant in de hand. Als u het goed doet en u houdt uw mond: reken dan op ongeveer een middag per week.” Hij had bedaard gesproken. Het initiatief was plotseling aan zijn kant.

“Moet ik iemand volgen?”

“In zekere zin, ja. U moet eerst iemand volgen, dan zorgen dat u haar tegenkomt, haar een ogenblik goed aankijken, verder lopen, en dan draait u zich om en fluit haar bewonderend na. Dat is alles. En u moet het tegen niemand vertellen.”

“Waarom moet ik dat doen? Is het een weddenschap of zoiets?”

“Nee. Het is allemaal volkomen in orde, er wordt niemand mee benadeeld, niemand wordt het slachtoffer. U moet alleen even laten horen dat u een vrouw bewondert.”

De glazenwasser begon te lachen. “Als het niks anders is. Ik vind het goed! Is ze mooi?”

“Ja”, zei Abraham. “Ze is mooi.”

“Misschien mag ik me even nader voorstellen”, zei de glazenwasser. “Piet is de naam.”

“Abraham.” Ze gaven elkaar de hand en hij ging weer zitten.

“De zaak is deze”, zei Abraham. “Iedere dinsdagmiddag om een uur of twee komt er uit de deur van de Nicolaaslaan nummer twintig de vrouw over wie het hier gaat. Ze loopt dan naar de Willemsweg, steekt het zeebrapad bij de Van Kaperenstraat over, en daar gaat ze op nummer honderdtwee naar binnen. Iedere week. Het is een wandelingetje van een kwartier. Het lijkt me het beste als u haar op de stoep van de Willemsweg tegenkomt, daar is het druk, en haar dan even nafluit.”

“En daar krijg ik honderd gulden voor?”

Abraham knikte ernstig. “Ja. Honderd gulden als u het goed doet. Niet overdreven waardoor die vrouw zich misschien belachelijk of belaagd zou gaan voelen. Het moet verrast en opgetogen klinken, en maar heel even. Het moet een complimentje zijn.”

“Juist. En hoe weet ik dat ik dat goed doe. En hoe komt u dat te weten? En als ik het verkeerd doe, word ik dan ook betaald?”

“Als u het goed doet kom ik het zeker te weten, en als u het niet goed doet misschien ook, maar ik zeg niet hoe. Dat is mijn geheim. Ik betaal u in ieder geval. Vijftig gulden nu, en woensdagochtend de andere helft, alles op voorwaarde dat het tussen ons blijft. Geen woord tegen iemand anders. Dat moet u beloven!”

“Akkoord. Ik zweer het”, zei Piet.

Abraham verklaarde hoe het huis gelegen was en hij gaf een signalement van Line. Hij hoorde zichzelf praten. Hij dacht: ik maak haar te mooi, te jong, op die manier herkent hij haar niet, straks fluit hij heel iemand anders na. “En dit is de eerste helft van de betaling.” Hij haalde een biljet van vijftig gulden tevoorschijn. “Tot woensdag.”

De mannen gaven elkaar weer een hand, Piet deed het raam open en stapte naar buiten.

“Ga je naar het clubje vanmiddag?” vroeg Abraham. Dinsdag, clubjesdag. Line had drie vriendinnen. Rampzalige wijven, dacht hij iedere week; geen goeie vriendinnen; klassieke kakelaarsters, modeshow en tearoom. Daar hoorde ze niet en voor bridgen was ze te jong.

“Ja. Ik heb niet veel zin maar ik ga toch.”

“Ik zou ze afdanken als ik jou was.”

“Ach.” Ze trok een mismoedig gezicht.

“Misschien valt het mee.”

“Je zegt dan dit, dan dat. Daar heb ik niet veel aan.”

Daar had ze gelijk in maar dat zei hij niet. Alle antwoorden waren verkeerd. “Ik ben vroeg thuis.”

Op kantoor merkte hij dat hij de pest in had, een dulle pest die alles tot ergernis maakte. Om kwart voor twee begon hij op zijn horloge te kijken. Tussen nu en een half uur zou het gebeurd zijn. Waar was hij in godsnaam aan begonnen. Hij graaide zijn papieren bij elkaar, de hele rommel in het koffertje. “Tot morgen”, riep hij tegen de secretaresse. “Ik ben er vandaag niet meer!” Geen verklaring, geen gezeur. Wie was hier per slot van rekening de baas. Hij nam de bus, bij de Van Kaperenstraat stapte hij uit en liep het laatste stuk. Als hij haar nu zou tegenkomen zou hij haar omhelzen, optillen zoals je dat in de film deed en oesters met haar gaan eten.

De krant was er nog niet. Hij ging in zijn stoel zitten en wachtte; hij herinnerde zich de tijd van het machteloze wachten: toen hun dochter zestien was en te laat van feestjes kwam. Wat was haar overkomen? Niks bijzonders natuurlijk maar als er wel iets was gebeurd zou het zijn schuld zijn. Zulk wachten krijgt zijn eigen concentratie; de spiraal van alle denkbare ongelukken. Hij schrok toen hij de sleutel in het slot hoorde. Ze neuriede haar eigen compositie in majeur; ze liep regelrecht naar de huiskamer.

“Hee, wat ben jij vroeg! Je laat me schrikken, ik dacht dat je nog op kantoor zat!”

“Nee.” Hij wilde beginnen aan een verklaring waarvan hij het einde nog niet wist maar zag meteen dat het niet nodig was. Ze had haar hoofd bij iets heel anders. “Was het leuk bij de meisjes?”

“O ja hoor. Ze zijn eigenlijk heel aardig. Abraham, zeg eens eerlijk, hoe vind je deze rok en die schoenen? Kan ik die nog wel dragen? Zijn ze niet te jong, vind je?”

“Te jong? Hoe kom je daar bij?”

“Je zegt er nooit iets van. Ook niet een beetje truttig?”

“Nee. Precies goed.”

“Wacht. Ik zal je nog iets laten zien.” Ze liep naar de slaapkamer; langdurig gerommel. Ze riep: “Joehoe! Ik kòhom!”

In mannequintred kwam ze de kamer binnen, de triomfantelijke passen waarmee het Kijk-naar-mij! wordt bevolen. Ze had een wijde zwarte trui en een rode nauwe rok met een split aan en haar hoogste hakken. Jezuschristus, dat had hij twintig jaar geleden het laatst gezien, toen had hij het prachtig gevonden.

Ze lachte zo vrolijk; zoals hij wilde dat ze altijd zou lachen. “En dit? 't Is al oud hoor, dat weet ik wel, maar het kan wel weer, denk je niet? Abraham?”

Hij keek naar haar gezicht. “Ja, volgens mij kan dat weer heel goed.”

“Ik had niet gedacht dat je het nog zou weten. Toen vond je het ook al zo mooi.” Ze liep de kamer uit, nog een beetje in de mannequintred, kwam terug met haar schort voor. Ze zei: “Ik ga lekker koken.”

De volgende ochtend kwam de glazenwasser. “En?" zei hij. “Waren er klachten?”

“Nee”, zei Abraham. “Er waren geen klachten.” Hij overhandigde de vijftig gulden.

“Ik krijg nooit klachten”, zei de glazenwasser. Hij gaf een knipoog. “Moet er nog meer worden gedaan? Nog een keer nafluiten?”

“Nog één keer”, zei Abraham.

Hij dacht: Companen in het bedrog zijn we. Maar ik ben de ergste. Ik heb de vrouw die ik het liefst vind met zichzelf bedrogen, niet eens met iemand anders, en nu doe ik het weer. Daarom kom ik in mijn eigen hel.

Hoe langer Abraham in de hel zat, hoe duidelijker hij besefte dat het verblijf daar het verrichten van goede daden niet verhinderde. Nadat de eerste glazenwasser tot tevredenheid van alle partijen zijn werk had gedaan, vond hij de volgende die overigens een ander beroep uitoefende. Abraham ontwikkelde een nieuwe vaardigheid; hij heeft zelfs even overwogen een nafluitersbureautje op te richten maar dit nagelaten omdat hij dan het geheim tot een bron van geldelijk gewin zou maken en dat was in tegenspraak met zijn bedoelingen. In zijn hang naar volmaaktheid vond hij allerlei variaties op het nafluiten. In het geheim waande hij zich de enige nafluitcomponist ter wereld. Hij heeft nog lang en gelukkig met zijn Line geleefd.

New York 29.2.92 - 06.26 - Amsterdam 7.6.92 - 17.40