Broodjes van Van Dobben

We zijn een wonderlijk gezelschap, realiseert Leo zich als hij hun tafeltje probeert te bekijken met de ogen van de andere gasten. Drie oude mannen, de een ouder dan de beide andere, in een Duits kuuroord, nagestaard door plukjes witharige weduwes. En dan, voor alle duidelijkheid, eerder nagestaard uit nieuwsgierigheid dan uit begeerte. Ze horen hier ook zo zichtbaar niet thuis temidden van de witte weduwen met hun eeuwige glimlach van beleefdheid en de stijf lopende heren met hun polstasjes en pantalons van pastelkleur: een bejaarde man van bijna tachtig en zijn twee zoons die - hoe jeugdig ze zich beiden ook kleden - toch onmiskenbaar de vijftig naderen. Dat ze broers zijn, dat zal nauwelijks iemand zich realiseren, hun verschil in uiterlijk zal hoogstens het raadsel vergroten: Frank met zijn dichtingeplante donkere haar en zijn aangeleerde, nichterige gracieusheid, hijzelf met Geheimratsecken en de Achterhoekse motoriek die hij, zo realiseert hij zich de laatste dagen weer, van zijn vader heeft.

Bezorgd kijken ze allebei toe hoe Vader moeizaam in zijn broodje hapt: een veel te vol, veel te hard, veel te groot Duits broodje. “Zal ik het even voor je snijden, Pap?” vraagt Leo, maar Vader schudt zijn hoofd met een mond vol knarsende kruimels.

“Ja, het zijn niet de broodjes van Van Dobben hè Pap,” vult zijn broer Frank aan. “Daar hoef je alleen maar in te happen. Weet je nog?”

Vader glimlacht en knikt al kauwende, maar Leo kan zien dat hij niet begrijpt waar zijn broer het over heeft. Hijzelf ook niet, trouwens.

Het frisse ochtendregentje is al snel opgedroogd door de hete zon, en de andere vakantiegangers vervolgen hun gedrentel door het o zo nette plaatsje: van Gradierwerk naar Konzertgarten, van ijssalon naar rhododendrontuin, van heilbad naar Bierstube. “Goedenmorgen mevrouw. Goedenmorgen mijnheer. Nou, het is al bijna goedenmiddag hoor, hahaha! Goed geslapen? Ja en u? Mooi weer nietwaar? Zegt u dat wel. Als het nu maar droog blijft! Nou, een prettige dag dan nog maar. Ja hoor, insgelijks.”

Frank kijkt en hoort alles met niet meer ingehouden horreur aan. “Volgende vakantie nemen we je mee naar Parijs, Pappie. Daar zijn de vrouwtjes tenminste wat pittiger dan hier - au!”

Het is Vader blijkbaar niet ontgaan wat zich onder tafel heeft afgespeeld. “Deed jij dat Leo?” vraagt hij met een mond vol brood, en Leo knikt en dan lachen ze alledrie maar en Vader eet langzaam door en kijkt af en toe vergenoegd om zich heen.

“Mooi hier,” zegt hij, en hij knijpt om beurten zijn beide zoons even in de bovenarm.

“Ben je hier nou ook wel eens geweest met Mama?” vraagt Frank met een intonatie van oprechte belangstelling die Leo even dankbaar stemt.

“Niet hier. Wel verderop, in Baden Baden, en in Oostenrijk natuurlijk. En vroeger, met jullie Opa en Oma, dan kwam je 's zomers zo vaak in Duitsland... Daar was helemaal niet zoveel verschil met Nederland. Maar dat was voor de oorlog natuurlijk. Toen was dat heel gewoon. Net zo gewoon als dat jullie naar Amerika gaan, zal ik maar zeggen.”

Vader kondigt aan dat hij even alleen wil wandelen. Hij loopt weg van het terras en steekt behoedzaam over, gezagsgetrouw zoals ook de Duitsers het doen, op het zebrapad de straat over. Toch moet een rode Mercedes nog even voor hem inhouden, maar hij heeft het niet in de gaten.

“Kijk hoe langzaam hij loopt,” fluistert Frank. Zijn broer knikt. “Weet je of de dokter hem nog wel regelmatig nakijkt? Er is iets met zijn evenwichtsgevoel, zie je hoe hij telkens even wankelt als hij zich omdraait. Moet je kijken.”

Ze zien hoe hij stilhoudt om wat kindertjes over de blonde hoofdjes te aaien. Ze zien het beiden zwijgend aan en weten van elkaar wat ze denken. Het is Leo die overbodig het stilzwijgen verbreekt. “Ik vind het eigenlijk voor hem nog erger, dat mijn kinderen er nooit meer zijn, dan voor mezelf, wil je dat geloven?” Vader loopt verder en houdt stil voor de etalage van een winkel met mode en souvenirs. “Dacht ik wel,” vervolgt Leo mompelend als ze hem daadwerkelijk ook in de winkel zien verdwijnen. “Daar gaat hij iets voor Mama kopen, dat kan hij niet laten.”

De zon wordt allengs heter en een jonge blozende ober komt de parasols open doen. “Noch zwei Kaffee, bitte,” bestelt Frank, en hij vervolgt achter zijn hand met een diva-stem “Lekker typje... Weer zo'n nicht van hier tot Tokio die het nog niet weet.”

“Jij hebt er anders ook lang over gedaan dat te weten te komen.”

“Gaan we katten? Toch niet waar Papa bij is hè?”

“Wat mij betreft niet. Komt het wel eens bij je op dat er ook mannen zijn die geen homo zijn?”

“Nou, wat jou betreft ben ik bereid dat aan te nemen. Zou ook wel erg zijn hè, twee uit één nest. Zoiets hoor je bijna nooit. Maar volgens mij zijn in elk geval alle Duitsers homo. Kijk maar eens om je heen. Hier, moet je dat geval daar nou eens zien lopen. Die samengeknepen kont! Dat col-overhemdje! Die wangetjes! Nou ja, waar hebben we het eigenlijk over!”

Leo kijkt de andere kant op, hij heeft geen zin meer in dit soort gesprekken, in de verhalen over Franks vriend "Bennie' die zulk mooi vrijwilligerswerk doet met AIDS-patiënten, in nog meer noodlotstijdingen over vrienden van vrienden die besmet zijn... “Wat bedoelde je trouwens met "Broodjes van Van Dobben',” vraagt hij.

Frank kijkt zijn broer in oprechte verbazing aan. “Weet je dat niet meer? Vroeger, als Papa moest overwerken? De broodjes die hij dan mee naar huis nam?”

Leo moet lachen - natuurlijk want meteen weet hij het weer, die avonden thuis, vijfendertig, veertig jaar geleden.

“Verdomd! Die melkkoker waaruit Papa dan zijn pap at.”

Ineens staat het hem allemaal weer zo helder voor de geest - zo vreselijk helder dat hij de beelden wel wat minder scherp gewenst had als het kon. Van de au-bain-marie pan, die thuis de pap-pan werd genoemd en die 's avonds door Moeder op de kachel werd gezet ('s zomers moest dat toch het fornuis zijn geweest maar Leo's herinneringen hebben een vorstige, koude gloed, alsof het altijd winter was) om de havermoutpap warm te houden die ze had gemaakt telkens als er in de namiddag een man met een leren jas op een motorfiets was langsgeweest die had gemeld dat er op de fabriek werd overgewerkt, vanavond. De man met de leren jas (hij had glad gepommadeerd haar en een litteken boven zijn linker- of rechteroog en hij was altijd kortaf, nooit kon er een grapje af, zoals toch wel voor de hand had gelegen, zei Moeder wel eens, bij mensen die zo vaak dezelfde mededeling kwamen doen) stoof weg naar de volgende werknemer en Frank en Leo moesten moeite doen hun vreugde een beetje in te houden. Anders maande Moeder hen dat het voor Papa helemaal niet leuk was natuurlijk, om nog eens vier of soms zes uur te beulen als hij al een hele dag gewerkt had, maar de jongens wisten maar al te goed hoe blij zij was met de extra guldens.

En dan verstreken de uren nadat ze vreemd en stil, telkens toch weer vreemd en stil, gedrieën hadden gegeten en de jongens maakten hun huiswerk en Moeder werkte aan een vloerkleedje of peuterde nog brandbare stukjes kolen uit de asla bij het licht van de nieuwe tl-buis en de pap-pan stond op de kachel als een offer aan een mindere god tot, soms omstreeks tienen maar meestal later en één keer wel voorbij middernacht, Karel, de zwarte kater, zijn kop verhief uit zijn slaap ten teken dat Vaders Berini in aantocht was.

En dan kwam Vader binnen via de schuur, met een altijd weer naar geheimzinnigheid neigende blik en toverde uit zijn bromfietstas dat tevoorschijn waaraan de gedachte die hele avond al hun bezigheden had bestraald met een schijnsel van verwachting: meestal een papieren zak maar soms, alsof het al niet mooi genoeg was, een soort gebakdoos met in gestileerde schrijfletters de woorden "Van Dobben' erop en waarin de broodjes zaten, meestal drie maar soms vier, als bijvoorbeeld een collega die "thuis geen mensen had' er een had laten liggen. Papa kreeg er altijd vier maar at er zelf slechts één en verdrong zijn honger tot hij thuis was en naast de kachel (schoenen uit, rug gekromd, bretels los) zwijgend zijn havermout rechtstreeks uit de pap-pan kon lepelen terwijl de jongens, de eerste keren letterlijk sprakeloos, genoten van de overdaad.

Leo telde op een keer wel negen, dus één twee drie vier vijf zes zeven acht negen plakken pekelvlees op één broodje, een luxe die zo lichtzinnig was dat Moeder er haar hoofd om schudde. Hij begon zelfs de rauwe tartaar na een paar keren ècht lekker te vinden omdat het zo buitenlands aandeed, ook al met dat halve ei erop, en als er een met kroket bij was dan deelden ze die nadat Moeder het bruine wonder even in een koekepan had opgewarmd.

De enige concessie die ze hoefden doen aan de werkelijkheid van de armoede was dat Moeder, met late-avondgebaren die wat zachter waren dan haar overdagse kloekheid, voordat ze aanvielen het merendeel van de dikke klonten roomboter (roomboter!) van de broodjes bij elkaar streek op een schoteltje dat in de bijkeuken werd bewaard.

Als de broodjes van Van Dobben op waren gingen Frank en Leo altijd "zonder maren' naar bed waar ze, de eerste keren, in het donker nog even napraatten over het wonder van de luxe en waar Leo in slaap viel denkend aan mensen die misschien wel elke dag broodjes van Van Dobben aten.

“God wat is het hier vreselijk,” hervat Frank zijn gemopper. “Hoe kan het nou dat Papa het hier leuk vindt?”

“Natuurlijk vindt hij het hier leuk. En verder gaat het hem helemaal niet om dit oord, hij vindt het gewoon fijn om met zijn kinderen op stap te zijn. Jou ziet hij sowieso bijna nooit. En het is hem een doorn in het oog dat je Mama zo weinig opzoekt.”

“Dat heeft-ie anders nooit rechtstreeks tegen me gezegd. En ik kan er nu eenmaal minder goed tegen dan jij, tegen dat tehuis. Meestal herkent ze me niet, en dan al die ademende lijken om haar heen die schreeuwen en het in hun broek doen... Daar is Papa.”

Als Vader terugkeert op het terras van het hotel haalt hij stralend uit een plastic tasje een leren ceintuur met geborduurde gesp tevoorschijn. “Wat denk je? Zal het haar staan?”

“Ik denk het wel. Prachtig,” zegt Leo snel.

“Als het maar niet weer zoekraakt in het tehuis,” zegt Frank een beetje kribbig.

“Hoe voel je je Pap,” vraagt Frank 's avonds aan het diner. Ze eten vroeg, maar nu vult de eetzaal zich toch langzaam met de overige gasten. Al die krampachtige burgers in wier midden Leo zich steeds nadrukkelijker een indringer voelt.

“Ach jongen, sommige dagen ben ik blij met iedere stap die ik vooruit kom,” antwoordt vader tussen twee happen aspergesoep door. Leo beseft dat het hem ernst is, want klagen is hem vreemd, is hem altijd vreemd geweest.

“Je moet niet zo slurpen hoor,” vervolgt Frank. “Iedereen kan je horen. En je had toch tomatensoep besteld en geen aspergesoep? Wacht even, ik roep de ober wel.”

“Ach nee jongen, doe geen moeite, dit is ook lekker.”

Hij mijmert hardop verder over de vakanties van vroeger, in het kleine Morrisje samen met Moeder die de kaart las en in woede ontstak als ze verkeerd gereden waren. “Ze is wel eens een keer zo langs de weg een weiland ingelopen, zei dat ze niet meer verder wilde. Dat ik maar alleen moest gaan. In Frankrijk was dat. Ja, ze kon wel eens stevig uit de hoek komen.”

Leo bestelt meer wijn en verdwijnt naar het toilet. Hij bekijkt het Duitse condooms-assortiment en laat zijn handen door een apparaat droogblazen en als hij terugkomt hoort hij vader neuriënd iets proberen duidelijk te maken tegen Frank. “Ik zeg net tegen je broer, ik heb daar nooit iets over opgeschreven maar als het mijn tijd is, ja ik zal het zelf dus niet horen nietwaar, maar dan wil ik graag dat jullie de Serenade van Bontempi draaien...”

“Papa bedoelt bij de begrafenis, maar ik vind dit helemaal geen leuk vakantiegesprek.”

“Bontempi? Dat is een wielrenner pap.”

Vader neuriet opnieuw iets maar ook Leo kan er geen touw aan vast knopen en enkele minuten lang ontwijken ze alle drie elkaars blikken. Leo beseft dat hij eigenlijk moet zeggen dat ze daar natuurlijk voor zullen zorgen maar hij kan niets over zijn lippen krijgen, pijnlijke gesprekken werden altijd gemeden in het gezin en het kost hem evenveel moeite als zijn broer die gewoonte te doorbreken.

Ook die nacht wil de slaap weer niet over hem komen, naast zijn vader in de slaapkamer van hun suite. Op het nachtkastje tussen hen in staat een glas water met vaders gebit. Door de muur heen hoort hij Frank snurken in het bed in de zitkamer. Vader ademt luidruchtig en onregelmatig, zo onregelmatig dat het hem bang maakt.

Er is geen geluid te horen, heel Bad Rothenfelde slaapt, al de vogels en de witte weduwes en de mannen met de polstasjes rusten uit van alweer een dag van kwetteren en het uitwisselen van beleefdheden. Het beeld van zijn vader met een havermoutpan op schoot laat hem lang niet los en de stilte brengt hem geen rust, telkens als de kerkklok alweer het halve uur heeft geslagen kolkt en stuwt het weer erger in zijn hoofd, heftiger naarmate de nacht vordert, alles naar dimensies van teveel drama, opgestookt door een veel teveel aan drank en duister. Wat doet hij hier, zijn leven is mislukt, weet hij dan zeker, wat moet hij verder, zijn werk op dode sporen, zijn huwelijken gestrand, zijn kinderen onder de hoede van een vreemde man in een vreemd werelddeel. Hij weet de dood overal om zich heen, in het bloed van Franks dierbaarste vrienden, in het tehuis waar Mama dag en nacht sluimert en brabbelt en zich bevuilt, en in de adem van de kleine tandeloze man naast hem in bed, die een vreemde is maar tegelijk toch ook zijn vader.

Frank draait zich rumoerig om en slaapt daarna stil verder waardoor Vaders hijgen, die rare, korte stoten die hem bang maken, de enige geluiden zijn die resteren in de nacht. Leo luistert een tijdlang verbaasd toe, probeert, uit nieuwsgierigheid, zijn eigen adem synchroon te laten lopen, hij wil alleen maar weten hoe het voelt, dat jachtige gesteun.

Zo ademen ze een tijdje gelijk op, in een bizar, gehaast ritme, als twee jazz-blazers die een unisono-thema spelen. En dan, dan gebeurt er iets wonderlijks: terwijl hij zelf vervolgens zijn adem weer regelmatig laat worden, hoort hij hoe zijn vader, als door hypnose gedreven, hem daarin volgt met een subliminale gedweeheid. In en uit, in en uit, met steeds meer rust en steeds meer regelmaat. Leo kan niet geloven dat het waar is wat hij hoort, hij houdt zijn adem in om zich ervan te vergewissen of het werkelijk zo is, maar dan, o schrik, hoort hij hoe in de donkere nacht zijn vader hem zelfs hierin volgt, wel acht, negen, tien seconden lang hoort hij hem niet ademen, hoort hij helemaal niets meer in het toch al ondragelijke duister van Bad Rothenfelde.

“Papa ben je wakker,” roept hij in paniek, en nog steeds blijft het stil naast hem. Hij knipt het bedlampje aan en kijkt naar het gebruinde hoofd op het kussen naast hem. Ingevallen mond, levervlekken, maar een grote rust. Ademt hij wel? Aan hem schudden durft hij niet en dan valt hem in dat hij het wonder misschien zich kan laten herhalen als hij weer zelf nadrukkelijk en met regelmaat gaat in- en uitademen.

En jawel. Opnieuw volgt de slapende man hem na en blazen ze na enkele seconden weer samen in en uit, zoals Fanny en hij, heel lang geleden op zwangerschapsgymnastiek. Het is opnieuw alsof hij is gehypnotiseerd, zijn vader, in een rustige ademgang die door Leo is op gang gezet en die hem de tranen naar zijn ogen brengt.

Hij heeft het gevoel alsof hij zijn vader van de verstikkingsdood heeft gered.

Er rest hem niets dan het lampje weer uit te knippen en zijn hoofd op het kussen te leggen, maar hij is nog meer opgewonden dan tevoren en weet dan dat hij die nacht niet meer zal slapen. Het leven kan hem nog zoveel teleurstellingen brengen maar dit heeft hij tenminste bereikt: zijn vader leeft en ademt, hier vlak naast hem. “De Serenade van Bontempi, natuurlijk spelen we die,” fluistert hij tegen het duister. “En als we de plaat niet kunnen vinden huren we een levende violist. En desnoods leer ik zelf viool spelen. Ze kunnen alles wat jij niet kon, je zoons. Maak je maar geen zorgen. Zo zal het gebeuren.”

Dan draait hij zich om, nog veel meer wakende uren tegemoet.