Bloed

Toen hij klein was zag hij ergens in een dorpskerk een afbeelding van de Gekruisigde.

“Dat is Jezus,” zei zijn moeder.

Jezus keek met angstige ogen naar een blauwzwarte wolk waar witte, puntige bliksemschichtjes uitkwamen. Uit de aan de kruisbalk vastgespijkerde handen liep bloed. Van de voeten, die met één enorme nagel doorboord waren, droop een bruine, stroperige sliert die zijn weg zocht over het hout en over een doodshoofd dat daar lag en verder nog, over de grond, totdat hij verloren raakte in de donkere partijen aan de onderkant van het schilderij.

Hetgeen echter het meest zijn aandacht trok was het gat dat men in de borst van Jezus had gemaakt: het had wat weg van een lachend mondje, dat zonder mankeren een flinke straal bloed in een kelk spoog. Een engel zorgde ervoor dat er geen spatje gemorst werd.

Een tijdje later zag hij zijn moeder in de huiskamer op de divan liggen. Ze zag bleek en hield een wit bakje van email in haar handen waarin ze speeksel en bloed dat uit haar mond kwam opving.

Rond dezelfde tijd zag hij in het keukentje een teil met bloederige lappen die van zijn moeder afkomstig waren, maar waar ze ook geen uitleg over gaf. Hij begon zich af te vragen hoeveel bloed er in een mensenlichaam zat. Hij kneep zich af en toe in een arm, waarbij hij iets hards voelde dat hem geruststelde. Hij veronderstelde dat de rest, de zachte substantie, vooral bestond uit bloed.

Een grote hoeveelheid bloed zag hij tegen het einde van de oorlog. Tijdens hevige bombardementen en beschietingen had zijn moeder een schuilplaats gezocht onder een muziekkiosk. Een paar Duitse soldaten die poolshoogte kwamen nemen, kregen van zijn moeder wat taptemelk. Daarop gingen ze bij de ingang van de kiosk liggen schieten. Kort daarna liep een donker stroompje vocht van het trapje van de kiosk naar binnen. Eerst dacht hij dat het wel de taptemelk zou zijn, maar daarna besefte hij dat het mensenbloed was. Zijn moeder, die vond dat hij daar te lang naar keek, trok hem weg van het trapje.

Op de lagere school luisterde hij liever niet naar de uitleg over het menselijk lichaam of naar verhalen van de meester over ongevallen of operaties. Daarvan werd hij soms zo onwel dat hij op de vloer van de klas moest gaan liggen om weer bij positieven te geraken. Sommige kinderen uit zijn klas grijnsden naar hem, andere keken bedrukt. Allen fluisterden: “Hij kan niet tegen bloed!” Toen hij op het Seminarie zat wilde hij zijn angst voor bloed overwinnen en bood zich aan om te helpen bij het slachten van het varken. Hij haalde stro en water en keek vol walging toe hoe een van de medestudenten met een lang mes snel een kruis sneed in de hals van het dier. Toen ze hem daarna vroegen zijn mouw op te rollen om met de arm in een emmer troebel varkensbloed te roeren wendde hij zich af en ging ergens in het gras liggen.

Wanneer hij als kapelaan bij ongevallen werd geroepen waarbij sprake was van doden en gewonden, meed hij ter plekke de bloedplassen en betrapte hij zich erop dat hij slechts een fractie van een seconde kijken kon naar een straaltje bloed dat uit een mond of een oor liep. De ogen ergens anders op richten had soms weinig zin, want dan viel zijn blik weer op een routekaart met bloedvlekken en hoofdharen erop of op een fietsstuur waaraan rode kloddertjes zaten of op een schoen waar een plasje bloed in stond. Zo'n schoen kon hem als het ware wekenlang achtervolgen.

Gaandeweg kreeg hij zelfs problemen met het uitspreken van de liturgische tekst: "Dit is mijn bloed.' Niet dat de wijn die uit het ampulletje in de kelk was geschonken hem direct aan bloed deed denken: de wijn was zilver en wit, van Franse of Algerijnse makelij en stro- of honinggeel. De weerzin die hij op dat moment kreeg kwam waarschijnlijk min of meer toch wel uit dezelfde diepten voort. Het zoete boeket stond hem vooral op het vroege ochtenduur tegen.

De onpasselijkheid nam toe door de geur die uit de monden van de gelovigen opsteeg als ze hun tongen uitstaken om de Hostie te ontvangen. De tongen kronkelden en bewogen als roze slakken. Ze hadden uiteenlopende formaten. Rokerstongen waren erbij die iets bruins hadden en hij zag tongen die gekarteld of gehakkeld waren omdat ze zo dik waren dat ze maar met moeite tussen tanden en kiezen pasten. Het was niet gebruikelijk dat de gelovigen uit de kelk dronken.

Op een dag viel tijdens de dienst van grote hoogte een spin in zijn kelk. Hij had juist de palla eraf genomen en wilde een kniebuiging maken, juist zoals de liturgie dat voorschreef. Hij bleef staan en keek naar het ongelukkige dier dat in de cuppa van de kelk ronddraaide als een zwart zonnetje in een gouden hemel. Het was een flinke spin met een lijf van bijna een centimeter en met een spanwijdte van de poten van wel vijf centimeter. Hij redde, na enig nadenken, het diertje door het langs het vingerdoekje omhoog te laten klimmen. Hij zette de spin op de corporale waar zij geruime tijd bleef zitten om, zo dacht hij, de lippen af te likken en om vast te stellen dat wat zij geproefd had wel heel anders smaakte dan insektebloed. Tegen het einde van de dienst rende het dier snel weg, bleef even als in gedachten staan, stak een poot omhoog bij wijze van groet en verdween. Hij dronk de kelk niet leeg, schonk de inhoud in het zogenaamde Heilige Putje en wist dat dit zijn laatste Mis was geweest.

Tijdens zijn huwelijk neemt zijn afkeer voor bloed nagenoeg niet af. Hij komt tot de slotsom dat vrouwen beter tegen bloed kunnen omdat zij er regelmatig mee te maken hebben. Met ingehouden verbijstering ziet hij hoe zijn kinderen besmeurd met bloed ter wereld komen en hij moet veel moeite doen om zo'n geboorte niet louter als iets rampzaligs te beschouwen.

Later zullen ze hem ontelbare malen bloed afnemen, maar zich toch steeds weer verbazen over de alarmerende kleur van die vloeistof. Hij zal uiteindelijk beseffen dat het niet de goede kant met hem uitgaat en dat een vergelijking van bloed met het rood van de ondergaande zon niet juist is, omdat de zon wel weer terug zal komen en hij niet.