Bergboeren

Meisje van dertien met waterpistool. Ze spuit water onder haar ene arm, haar andere arm, op haar ene been, haar andere been, alsof ze voor de spiegel staat, al half een vrouw en dat water voor de helft make-up. Dan de hark weer en aan 't werk.

Na dagen van toenemende hitte is regen, onweer aangekondigd. Het hooi moet naar binnen.

Het gemotoriseerde doen de mannen. Hun machines, geluid, ligging, manier van voortbewegen, hebben iets van dieren, iets van aai maar even.

Het handwerk is voor vrouwen, kinderen, een jongetje van acht, een omaatje van zeventig, een hoed van stro, een baseballpetje met een piekend plukje haar, makkelijke kleren aan het lijf, hoewel, de jurk van oma, die kan nog best op zondag.

De hele ochtend, de hele middag, geen onvertogen woord, geen zichtbaar blijk van ongenoegen. Nu schuiven wolken met ettergele randen over de kam in het noorden. De oude vrouw gaat als laatste op huis aan, een bundel hooi op haar arm, net of ze een lammetje draagt.

De boerderij ligt laag aan de weg, vastgeklonken aan de aarde, helemaal van hout, gebruind door zon en teer, overhangend dak, verstolen ramen, een beschutte gaanderij en overal geraniums, vegen rode lippenstift. Daar wonen ze. Daar doen ze 's avonds, in het donker van die ramen, de lamp aan.

Je denkt: daar is het leven anders.