Waterval

Bij de afdaling kijken we recht in de scheuren van een gletsjer, de reine ziel van ijs onder een smerige laag puin. Het terrein aan de overkant is mijn bijzonder eigendom. Al in drie romans heb ik daar mensen gesitueerd. “Het pad hing als een neergedwarreld hoedelint aan de rotswand” enz.

Twee jassen zijn er bezig, een gele en een blauwe. De gele begeeft zich met glijdende voeten en wankele gebaren op een hellend sneeuwveld. Hij poseert als Tarzan en laat zich fotograferen. Daarna worden de rollen omgedraaid. Die spelen met hun leven; het sneeuwveld voert direct naar de gletsjer.

“Belgen”, stelt Daan meedogenloos vast.

We gaan zitten, eten en drinken wat en houden de jassen in het oog met de kijker. Ze amuseren zich kostelijk. Verplaatsen zich, zonder opzet waarschijnlijk, naar minder gevaarlijke regionen. Lopen daarbij een steenbok mis, die met reusachtige horens en behoedzame pas naar beneden is gekomen. Wat we als hun verdiende loon beschouwen.

Als we verdergaan, moeten we door een waterval. Er valt genoeg water om je tamelijk nat te maken. En ijskoud. Je zou, om minder nat te worden, kunnen hollen of springen - met het risico van vallen en dan word je ontzettend nat. Daan: “Natuurlijk kiezen wij voor de zekerheid van tamelijk nat.”

Het geluk een zoon te horen zeggen wat je zelf had kunnen zeggen.