Uitvoer weer trekpaard van nationale economie

De indicatoren spreken elkaar tegen, de experts ook. Toch lijkt de groei van de Nederlandse economie aan te trekken. Met, als vanouds, de export als trekpaard. De consument trekt zijn beurs straks weer verder open.

Berichten over een forse stijging van het aantal faillissementen zorgden onlangs voor enige schrik. Econoom Fred Lempers van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond heeft daar geen last van. “In een periode van hoge groei kan zelfs de slechtste ondernemer overleven, maar bij tegenwind is dat anders,” zegt hij. “Als de terugval begint, blijft men hopen op betere tijden. Uiteindelijk moet de tering toch naar de nering worden gezet en soms leidt dat tot een faillissement. Maar het dieptepunt van de conjunctuurcyclus is dan vaak al bereikt.”

Hetzelfde geldt voor de vacatures. Het totale aantal bij particuliere bedrijven en instellingen daalde tussen maart 1991 en maart 1992 met 22.000 tot 89.000, op het eerste gezicht een forse daling. Lempers: “Hier heb je een vertraging van, ik schat, een half tot één jaar. Als de neergang begint, worden de vacatures eerst nog vervuld, de bedrijven "eten zich vol' met personeel. Dus is er, als de conjunctuur aantrekt, niet onmiddellijk behoefte aan nieuwe mensen. Komt die behoefte wel, dan doet men voorzichtigheidshalve liever een beroep op uitzendkrachten. Pas later, als de groei doorzet, ontstaan nieuwe vacatures.

“Wij zijn de kraamkamer van de werkgelegenheid,” zegt Fred van Haasteren van het uitzendbureau Randstad. Volgens CBS-cijfers is het beroep op uitzendkrachten in het eerste kwartaal gedaald, maar, zegt Van Haasteren, “ik heb inmiddels het gevoel dat we de bodem hebben gehad.” Waaraan hij onmiddellijk toevoegt dat het aantal moeilijk te vervullen vacatures nog altijd groot is, vooral als het om vaklieden gaat.

Het aantal uitstaande vacatures daalde recentelijk overigens niet alleen omdat er minder nieuwe bijkwamen, maar ook omdat een groter aantal bestaande kon worden vervuld. Bovendien is het aantal vacatures met 89.000 nog steeds veel groter dan de minder dan 20.000 op het dieptepunt van de depressie in 1982. Van een depressie is nu geen sprake, hooguit van een (lichte) recessie.

Nederland mag kampen met een stagnerende verzorgingsstaat, een falende overlegeconomie en een cultuur die risico's schuwt, economisch is het de laatste jaren helemaal niet slecht gegaan. Verhalen dat we minder groeien dan andere landen binnen de Oeso, de organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, zijn uit de lucht gegrepen. De afgelopen drie jaar lag de groei van het bruto binnenlands produkt in Nederland beduidend boven het EG-gemiddelde, om over de VS maar te zwijgen.

De Nederlandse groei wordt wel sterk door het buitenland - lees: het verenigde Duitsland - getrokken. De binnenlandse vraag blijft achter. Dus steeg het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans - anders gezegd: het nationaal spaaroverschot - van 6 miljard gulden in 1987 tot bijna 20 miljard in 1991 en waarschijnlijk ook in 1992. Voor volgend jaar verwacht het Centraal Planbureau zelfs een spaaroverschot van om en nabij 25 miljard gulden. De Oeso komt nòg hoger uit en voorspelt een overschot van 28 miljard à 29 miljard gulden. De groei van de binnenlandse vraag zal dan ook in Nederland in 1992 èn in 1993 “één van de zwaktste in het Oeso-gebied” zijn. Met als gevolg een nationaal spaaroverschot dat twee keer zo groot is als dat van Japan, het spaarland bij uitstek.

Volgens Lempers is de Nederlandse conjunctuur nog altijd “zwak”. Het eerste kwartaal was dan wel beter dan eerder geraamd (“dat klopt met wat wij van onze achterban horen”), maar het houdt niet over. De bedrijfsinvesteringen zullen zeker niet stijgen, en de investeringen in woningen zijn sinds 1989 fors gedaald. Lempers: “Dat is van belang voor de levering van keukens, gordijnen, allerlei diensten, noem maar op.” En dan is er nog de landbouw. Lempers: “Die is in de tweede helft van de jaren tachtig geweldig gegroeid, maar nu komt door de McSharry-plannen en de milieu-eisen een rem op de groei.”

Pag.12: De centrale bank wil blijkbaar graag wat optimistische geluiden laten horen; Planbureau over '92 niet zo pessimistisch

Voor de werkgelegenheid is het aantrekken van de binnenlandse vraag van cruciale betekenis. Maar juist met betrekking tot de consumptieve bestedingen kwamen het Centraal Planbureau (in zijn Halfjaarlijkse Tussenrapportage) en De Nederlandsche Bank (in het Kwartaalbericht 1992-1) vorige maand tot opmerkelijk verschillende conclusies.

Volgens de centrale bank was de consumptiegroei in januari/februari (ten opzichte van dezelfde periode in 1991) vergeleken met de consumptiegroei in het vierde kwartaal van 1991 “iets versneld”. Maar er was meer. De bank noemde het “opvallend” dat de uitgaven aan duurzame consumptiegoederen zich “ondanks de gematigde ontwikkeling van het besteedbare inkomen relatief sterk blijven ontwikkelen”. Bij de invoer van consumptiegoederen was in het eerste kwartaal sprake van een “forse stijging”. Al met al had ze de indruk dat “de consumptieve bestedingen zich relatief gunstig hebben ontwikkeld”.

Het Centraal Planbureau sloeg een heel andere toon aan. De consumptiegroei was sinds het eerste kwartaal van 1991 “sterk teruggelopen” en in januari/februri 1992 bedroeg de consumptiegroei “nog slechts 1,5 procent”. De groei van de consumptie van duurzame goederen, die De Nederlandsche Bank over januari/februari op 4,9 procent schatte, kwam volgens het planbureau niet hoger uit dan 1,5 procent. En waar de Bank met betrekking tot de invoer van duurzame consumptiegoederen sprak over een “forse stijging”, sprak het Planbureau over een “dalende tendens (...) die zich in het eerste kwartaal van 1992 heeft voortgezet”.

We zijn inmiddels enkele weken verder en de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over maart zijn nu wèl beschikbaar. Het beeld is niet rooskleurig: het consumptievolume lag zelfs een procent láger dan in maart 1991. De consumptie van duurzame goederen ging zelfs met 7 procent omlaag. Daarbij speelde overigens een rol dat maart dit jaar een vrijdag en een zaterdag minder telde dan vorig jaar. Over het hele eerste kwartaal kwam de groei van de consumptieve bestedingen dan ook lager uit dan de groei in het vierde kwartaal van 1991: niet 2,4 maar 1,7 procent. Het CBS constateert dat “met deze volumestijging de dalende trend in de consumptiegroei, die vanaf het tweede kwartaal 1991 waarneembaar is, wordt voortgezet”. Kortom: De Nederlandsche Bank had het mis.

Het is duidelijk: men zit op het Frederiksplein met de handen in het haar. De centrale bank wil blijkbaar graag wat optimistische geluiden laten horen (wie wil dat niet), maar zelfs de eigen DNB-conjunctuurindicator voorspelt tot september een “voortzetting van de conjuncturele neergang”. Dus namen de DNB-onderzoekers vorige week in arren moede hun toevlucht tot een andere index: de algemene CBS-beursindex. En jawel: die “duidt tot het einde van dit jaar niet op een verder afzwakken van de conjunctuur”. Gelukkig maar.

Toch blijkt ook het Planbureau over het verdere verloop van 1992 niet al te pessimistisch. Zeker, op basis van de gerealiseerde cijfers moet worden geconcludeerd “dat de groei van de consumptie in de loop van 1992 bescheiden zal zijn”. Maar over heel 1992 verwacht men nu toch een wat hogere consumptieve groei dan in april in het Centraal Economisch Plan stond. Toen raamde het CPB de groei op 1,25 procent, nu houdt men het op 1,50 procent. Dus toch? Maar waarom dan? Het Planbureau: “De achtergrond daarvan zijn hogere contractloonstijgingen in de marktsector en bij de overheid en een iets gunstiger werkgelegenheidsontwikkeling.”

Het nieuwe optimisme wordt geschraagd door het jongste consumentenonderzoek van het CBS. Het CBS vraagt consumenten naar hun mening over de economische situatie, hun eigen financiële situatie en of ze de tijd rijp achten om grote aankopen te doen. Als de positieve en de negatieve antwoorden elkaar in evenwicht houden, staat de “index van de koopbereidheid” op honderd; zijn er meer positieve antwoorden dan stijgt de index. Welnu: sinds januari 1990 is de index van de koopbereidheid bijna voortdurend gedaald, tot het dieptepunt 96,5 in oktober. Daarna volgde een aarzelend herstel, tot 100,7 in mei. Juni leverde echter met 103,1 een duidelijk positiever beeld op. De consument krijgt weer vertrouwen, zou je zeggen.

De jongste werkloosheidscijfers lijken dit optimistischer beeld te bevestigen. De geregistreerde werkloosheid daalde in april tot 299.000, dat was 21.000 minder dan in april 1991. In 1989 en 1990 ging de werkloosheid met ruim 40.000 omlaag, vorig jaar met 27.000. Al wordt de daling dus kleiner, van een stijging is zeker geen sprake. Reden waarom het Planbureau, dat in april nog voorspelde dat de geregistreerde werkloosheid dit jaar met 30.000 zou stijgen tot 350.000, nu een stabilisatie op 320.000 voorziet.

Maar, stelt CPB-korte-termijn-expert J. van der Lem, “dat stelt weinig voor”. Hij wijst op het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering, dat wèl omhoog gaat, “en dat spoort met wat wij denken dat op de arbeidsmarkt gebeurt”. Het Planbureau verwacht dat het aantal werkzoekenden zonder baan, dat aanzienlijk hoger ligt dan de geregistreerde werkloosheid (ruim 500.000 tegen 300.000), zowel dit jaar als volgend jaar met 20.000 zal stijgen. Waarom dat verschil met de geregistreerde werkloosheid?

Van der Lem: “Nogal wat bedrijven laten bij gedwongen ontslag vooral de ouderen afvloeien, misschien ook omdat de WAO minder aantrekkelijker wordt. Maar wie ouder is dan 57,5 jaar en werkloos wordt, hoeft niet naar werk te zoeken en valt dus niet onder de "geregistreerde werkloosheid'. Daarnaast heb je het effect van werkgelegenheidsprogramma's, van om- en bijscholing: ook zulke mensen zijn, tijdelijk, niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt en worden dus niet geregistreerd. Ook werkzoekenden die minder dan twintig uur willen werken vallen niet onder de geregistreerde werkloosheid, en het zou best kunnen dat zij als eerste de dupe worden van een afkalvende werkgelegenheid.”

Dit alles neemt overigens niet weg dat het CPB ook wat betreft de werkgelegenheid optimistischer is geworden sinds april. In personen uitgedrukt hield men toen rekening met een stijging van 40.000, zowel in 1992 als in 1993. Nu rekent men op een groei van 60.000 in 1992 en 50.000 in 1993. Desondanks neemt in de nieuwe prognoses het aantal werkzoekenden nog toe: in beide jaren met 20.000. De vraag naar werk groeit blijkbaar sneller dan het aanbod.

Het paradepaard van de Nederlandse economie blijft natuurlijk de uitvoer. In de periode mei 1991-april 1992, vergeleken met de overeenkomstige periode een jaar eerder, was sprake van een groei met 7,4 miljard gulden. De invoer nam tezelfdertijd met slechts 2,7 mijard toe. Het volume van de uitvoer, exclusief energie, lag in april 1992 liefst 9 procent hoger dan in april 1991.

Voor heel 1992 verwacht het Planbureau dat het uitvoervolume (exclusief energie) zal stijgen met 4,2 procent. Voor 1993 wordt zelfs een groei met 6 procent verwacht. Van der Lem spreekt over een “meevallende relevante wereldhandel”. Zo was in Duitsland sprake van een aantrekkende industrie en nam de Duitse invoer van halffabrikaten krachtig toe. Ook Frankrijk deed het tot aan de wegblokkades redelijk goed. Daar stond in het eerste kwartaal een verdere terugval van de Britten tegenover.

Belangrijk voor de Nederlandse uitvoer was het prijsbeleid van de Nederlandse exporteurs. Van der Lem: “De Nederlandse uitvoerprijzen waren in het eerste kwartaal aan de lage kant. Men heeft meer prijsconcessies gedaan dan aanvankelijk verwacht. De Nederlandse prijzen zijn iets sneller gedaald dan die van de concurrenten.”

Zijn collega H.P. van der Wiel geeft een voorbeeld. “Neem de chemie. De omzetcijfers zijn niet denderend, dat lees je in de kranten. Maar dat komt doordat de exportprijzen gigantisch zijn gedaald. Het volume van de uitvoer is heel goed, de bezettingsgraad van de fabrieken ook.” Ook de export van landbouwprodukten floreerde tot dusver dit jaar.

Wat is het effect van de nieuwe koersdaling van de Amerikaanse dollar? Het Planbureau hanteert bij zijn prognoses een koers van ƒ 1,80 dit jaar en ƒ 1,90 volgend jaar, maar inmiddels is de dollar nog geen ƒ 1,70 waard. Lempers van het NCW: “Van de Nederlandse uitvoer gaat niet meer dan vier procent naar de VS, dus dat is het punt niet. Maar een veel groter deel van de export, 20 procent, wordt in dollars afgerekend. Een lagere dollar is dus schadelijk voor de Nederlandse export. Aan de andere kant is het dollar-aandeel in de import nog veel groter: 30 procent. Een lagere dollar maakt die invoer goedkoper en dat is goed tegen de inflatie.”

Hij geeft een voorbeeld: “Neem Fokker. Bij een dollar van twee gulden kan de onderneming goed concurreren, maar bij ƒ 1,70 zit ze waarschijnlijk in een affreuze concurrentiepositie.”

Overigens is het Planbureau over de Nederlandse industrie allerminst pessimistisch gestemd. Het produktievolume, dat in 1990 nog met 4 procent toenam maar in 1991 slechts met 1 procent, zou in 1992 met 2 tot 3 procent kunnen groeien en in 1993 mogelijk zelfs met 5 procent. Gecorrigeerd voor seizoensbewegingen ging het industriële produktievolume in de laatste drie kwartalen van 1991 voortdurend omlaag, tot in het eerste kwartaal van 1992 herstel optrad. Weliswaar groeide de produktie in januari-april, ten opzichte van de eerste vier maanden van 1991, slechts met ruim één procent, maar er zit meer in het vat. De orderontvangsten en de bezettingsgraden wijzen in de goede richting.

Opvallend is dat de bezettingsgraad in de investeringsgoederenindustrie, die sinds eind 1989 voortdurend afnam, dit jaar weer iets stijgt. Overigens stijgt de bezettingsgraad vooral in de sector van de halffabrikaten. Dit, schrijft De Nederlandsche Bank, “zou er op kunnen duiden dat een fase van conjuncturele opleving in de industrie is bereikt.”

De groei van het produktievolume is tot dusver vooral geconcentreerd bij de chemie, de basismetaal en de papier- en grafische industrie: sectoren die vanouds bij een herstellende conjunctuur voorop lopen. Dat het in de elektrotechnische en de textiel-, kleding- en lederindustrie nog minder voorspoedig gaat, mag nauwelijks verwondering wekken: zij produceren niet voor andere bedrijven maar voor de consument. Die denkt er nu weliswaar over de knip op de beurs los te laten, maar het moet nog wel gebeuren.

Dag in dag uit zorgt het CBS voor nieuwe cijfers en feiten. Maar wat is waar? Weersveranderingen, schrikkeljaren, feestdagen en wat al niet vertroebelen het beeld. Conjunctuuranalisten banen zich moeizaam een weg door de cijferbrei. Als het Centraal Planbureau een kwart procentje meer groei voorspelt, haalt minister Kok opgelucht adem. De BTW kan nu zonder brokken omlaag, de werkloosheid hoeft niet te stijgen. Maar Koks partijgenoot minister Alders kijkt bezorgd toe. Tijdens de jaren van hoogconjunctuur kwamen er zoveel auto's bij dat het gunstige effect van de katalysator op de vervuiling al weer geheel verloren ging. Economische groei is doel en dwangbuis tegelijk.