Sluipweggetje langs het kanaal

Le château de ma mère. Regie: Yves Robert. Met: Julien Ciamaca, Philippe Caubère, Nathalie Roussel, Jean Rochefort, Jean Carmet. In: Amsterdam, Alfa 1; Den Haag, Babylon 2.

Enkele weken na La gloire de mon père verschijnt nu het tweede deel van Yves Roberts verfilming van Marcel Pagnols jeugdherinneringen in de Nederlandse bioscopen. Hoewel de beide films, tegelijkertijd opgenomen in 1990, zo veel continuïteit en overeenkomst vertonen dat het aanbeveling verdient ze achter elkaar te bekijken, blijkt Le château de ma mère heel goed op zichzelf te kunnen staan. De toon is dezelfde: warme nostalgie naar de overzichtelijke wereld van de Provence rond de eeuwwisseling met wijze observaties van de mensen die die wereld bevolkten. Robert legt echter heel andere accenten, die vooral in de epiloog tot uiting komen, wanneer de stem van de verteller bijna terloops de vroege dood van Pagnols moeder, zijn broer en zijn herdersvriend Lili memoreert.

Behandelde het eerste deel de lyrische ontdekking door de latere schrijver van veredelde streekromans van de schoonheid van de Provençaalse heuvels, het tweede deel gaat over de eerste erotische ervaringen met een buurmeisje uit de hogere stand en de belevenissen van de familie Pagnol bij het illegaal betreden van privé-landgoederen op weg naar hun weekendhuisje in de bergen. Beide spannende ervaringen zijn doortrokken van het bewustzijn van klasseverschillen, die de fel-republikeinse en atheïstische vader de jonge Marcel met de paplepel ingoot. Tegelijkertijd relativeert Pagnol in zijn memoires zijn toenmalige vooroordelen. Het buurmeisje, dat in haar spelletjes de jongen placht te vernederen, blijkt in tweede instantie geen prinses, maar de door buikkrampen geplaagde dochter van een alcoholistische poseur (Jean Rochefort). En de ware aristocratie bezorgt de familie Pagnol een aangename verrassing.

Van het eindpunt van de tram in Marseille naar het weekendverblijf is het elke zaterdag ruim zes kilometer lopen met handenvol bagage. Die tocht kan aanzienlijk bekort worden door een afsteek langs het kanaal over een pad dat achterlangs de tuinen van drie landhuizen loopt. De kanaalvoogd, een oud-leerling van vader Pagnol, gaf deze heimelijk de sleutel van de poortjes. Angstig sluipend legden ze deze verboden tocht wekelijks af. De gevreesde baron (Georges Wilson) van het eerste huis valt mee, wanneer hij hen betrapt heeft, en nodigt hen zelfs op de thee. Ook de tuinman van het tweede huis knipoogt, als hij voor de vorm zijn vuisten balt. Maar de ware vernedering komt van de kreupele bewaker (Jean Carmet) van huis nummer drie, een vervaarlijke koddebeier die met hel en verdoemenis dreigt in de vorm van een bekeuring, genoeg om een ambtenaar als Pagnol sr. definitief het brood uit de mond te stoten.

Roberts ambachtelijk voortreffelijke, milde filmstijl kan gemakkelijk als ouderwets afgedaan worden. Inhoudelijk past Le château de ma mère in de traditie van de avonturen van Swiebertje, Bromsnor en meneer de burgemeester. Met die kwalificaties doet men echter geen recht aan Roberts vertelkunst, die er zorg voor draagt dat de film meer dan een glimlach veroorzaakt. Meer nog dan bij La gloire de mon père blijven de anekdotes, die Robert met de juiste timing en dictie opdist, in de herinnering hangen. Beide films veroorzaken het prettige gevoel aangenaam bezig te worden gehouden door een leerzaam en ontspannend raconteur.