Opticien

Spinoza staat te boek als een filosoof, een hele grote nog wel, die een prominente plaats in de geschiedenisboeken heeft gekregen. Maar was hij wel een filosoof? Was hij niet een heel ander type dan die rare woordenkramers van tegenwoordig, die zich met de naam filosoof laten eren? Tijdgenoten hadden in ieder geval een andere kijk op hem.

Oldenburg, de secretaris van de Engelse Royal Society zag in hem een "mathematisch genie' en in Duitsland beschreef de beroemde Leibniz hem als een "uitstekend opticien' (insignis opticus), ""ontwerper (elaborator) van zeer vermaarde kijkbuizen''. De brief die hij tot hem richtte om hem te raadplegen over zijn eigen optische theorie, ving aldus aan: ""Tot de roem die de faam over u heeft verbreid, behoort naar ik verneem onder meer ook uw buitengewone bekwaamheid in de optica''.

Algemeen verbreid is de opvatting dat Spinoza in zijn onderhoud voorzag met het slijpen van lenzen. De biograaf Colerus vermeldt: ""Spinoza dan als een geleerde Jode, de Wet en Raad der oude Joodsche Meesters heel wel wetende, dat men by de Studien een Konst of Ambagt moest leeren om zich daar van te generen ... leerde, eer hy zig tot het stile buiten-leven begaf, eerst het slypen van glasen tot perspectiven brillen, en andere gebruiken, waarin hy zoo wel vorderde, dat yder begerig was om zyn arbeyd te kopen.'' Dat deze bezigheid voor hem iets meer betekende dan een simpele broodwinning waarvoor bv. de meubelmakerij ook geschikt ware geweest, blijkt uit tal van andere getuigenissen, die er geen enkele twijfel over laten bestaan dat Spinoza niet alleen lenzen sleep maar ook zelf microscopen en telescopen vervaardigde op grond van een erkende deskundigheid in de optica. ""Hy heeft, behalven zijn gewone bezigheit in de wetenschappen, zijn bezondere oeffening in de Gezichtkunde, in 't slijpen van Vergrootglazen en Verrekijkers genomen; daar in hy grote ervarentheit had getoont, en daar af men, zo de doot hem niet wechgerukt had, groter blijken had mogen verwachten'', vernemen we uit zeer betrouwbare bron, Jarig Jelles in 1677.

Met de beroemde wiskundige Johannes Hudde, die later enkele tientallen jaren zou fungeren als burgemeester van Amsterdam, discussieerde Spinoza over de beste berekening van de brandpuntsafstand in de telescopen. Onze grootste natuurkundige, Christiaan Huygens, volgde naarstig de technische en intellectuele prestaties van zijn geleerde dorpsgenoot in Voorburg. Niet alleen prees hij, in de briefwisseling met zijn broer Constantijn, de ""zeer voortreffelijke'' kleine lenzen met hun ""poli admirable'' in ""zijn microscopen'', na aanvankelijk verzet gaf hij zich op grond van experimenten ook gewonnen aan diens theorie dat in microscopen kleine objectieven de objecten duidelijker weergeven dan de grote. De moderne optische apparatuur en hun theoretische grondslag bleek het voornaamste onderwerp van gesprek te zijn tussen de twee Voorburgers, zoals Spinoza laat blijken in een brief aan Oldenburg.

Spinoza was overigens niet erg onder de indruk van Huygens' Dioptrica. ""Wat hij dan in de optica zegt te zoeken, is of hij de lenzen in telescopen zo kan plaatsen dat de fout van de ene lens door die van de andere wordt opgeheven. Op die manier wil hij bewerken dat alle evenwijdig lopende stralen die door het objectief heengaan, het oog bereiken alsof zij in het mathematische punt samenkwamen. Mij lijkt dit tot op heden onmogelijk''.

Het fraaiste getuigenis over het resultaat van Spinoza's wetenschappelijke arbeid treffen we aan in Spicilegium Anatomicum (1670) van Theodor Kerckringh. Handelend over de micro-structuur van de lever schrijft hij: ""Ik heb de beschikking over een zeer voortreffelijke (praestantissimum) microscoop die vervaardigd is door die edele Benedictus Spinosa, wiskundige en filosoof; daardoor kan worden waargenomen dat de lymphatische vaten, in verschillende draden gesplitst, hun gebalde klieren binnengaan. Wat ik aldus met behulp van mijn bewonderenswaardig instrument heb ontdekt, is nog verbluffender: oneindig veel uiterst kleine diertjes...''

Dat Spinoza op deze manier in het wetenschapsbedrijf van zijn tijd meedoet en zelfs een aanzienlijke rol vervult als professionele gezichtskundige, moge ons aan het denken zetten over de aard van zijn filosofie. Was die filosofie niet veel meer een verlengstuk of resultaat van zijn optica dan dat andersom de lenzenslijperij een bijzaak in zijn intellectuele bestaan zou zijn geweest?

In ieder geval legde hij zich geheel en al toe op de waarneming der werkelijkheid in al haar diversiteit en vormveranderingen. Heel wat optische illusies betreffende 's mensen autonomie en vrijheid moesten het ontgelden in zijn hogere optica, die tot diepere dimensies doordrong. Feuerbach raakte de kern der zaak met zijn opmerking: ""Die Philosophie Spinoza's ist ein Teleskop, das die wegen ihrer Entfernung dem Menschen unsichtbaren Gegenstände vor das Auge bringt''.

Spinoza besefte echter wel degelijk de tekorten van artificiële apparatuur. De materie-deeltjes zijn volgens hem oneindig in aantal en zo subtiel, dat ze ""zelfs met het oog van Lynceus niet gezien kunnen worden''. Welke ogen zijn dan beter? ""De ogen van de geest, waardoor men de dingen echt ziet en observeert, zijn de bewijsvoeringen zelf''. Langs rationele weg bereikt men een ""deurzigtigheid'' en een ""vertooninge aan het verstand van het voorwerp zelve'' die het vermogen van overigens niet te versmaden optische instrumenten te boven gaat.