Omslag in Kamer in denken over bijbanen; Ook in de PvdA wordt op bijbanen minder angstig en minder negatief gereageerd

DEN HAAG, 9 JULI. “Tegenwoordig word ik gemiddeld minder vaak voor rotte vis uitgescholden dan een aantal jaren geleden”, zegt het CDA-Tweede-Kamerlid Gerritse uit Soest met een lachje. Er is zich, zegt hij, een omslag bij veel collega's aan het voltrekken in het denken over nevenwerkzaamheden van Kamerleden en dus ligt hij, de man met de meeste betaalde bijbanen, minder in het schootsveld.

Gerritse ziet dan ook wel iets in de uitspraken van PvdA-voorzitter Rottenberg, die dit weekeinde zei het Kamerwerk te eenzijdig te vinden en de parlementariërs de suggestie deed er iets naast te gaan doen, bijvoorbeeld gedurende twee dagen per week. Gerritse (vijf commissariaten van grote ondernemingen en een bank, twee bestuurslidmaatschappen met presentiegeld en drie onbetaalde bijbanen): “Het inzicht groeit dat je niet zo'n sterke scheiding moet aanbrengen tussen de politiek en de rest van de wereld. Veel politici hebben daar altijd schotten tussen gezet en daarmee bedrogen ze in feite zichzelf. Want die schotten functioneren niet: er is een geweldige uitwisseling van invloed tussen enerzijds de politiek en anderzijds het maatschappelijk leven, zoals het bedrijfsleven, vakbeweging en wat al niet.”

Toen acht jaar geleden minister - nu CDA-fractieleider - Brinkman Kamerleden een deeltijdbaan aanbeval, werd hij hard aangepakt door het gehele parlement, PvdA- en oppositieleider Den Uyl voorop. Brinkmans woorden waren ook wel erg provocerend: Kamerleden hingen maar wat rond in Nieuwspoort, zei hij; ze zouden er beter aan doen midden in het leven te staan en hun informatie elders te halen. Den Uyl eiste destijds dat premier Lubbers zijn minister tot de orde zou roepen. Nu is het de PvdA-voorzitter die een soortgelijk voorstel doet.

Wie naar de lijst van nevenwerkzaamheden kijkt die de fracties jaarlijks (vrijwillig) bij de Kamervoorzitter inleveren, ziet die opvattingen over nevenfuncties in de cijfers weerspiegeld. Van de 150 Tweede Kamerleden hebben er 46 een betaalde bijbaan: 17 van de 54 CDA'ers, tien van de 49 PvdA'ers, 14 van de 22 VVD'ers, één van de 12 leden van D66, één van de zes Groen Linksers, twee van de drie SGP'ers, één van de twee GPV'ers. Daarnaast zijn er nog twintig Kamerleden van wie de bijbanen betaald worden in de vorm van onkostenvergoedingen of presentiegelden. Negentien Kamerleden hebben in het geheel geen nevenfuncties, ook geen onbetaalde.

Naast Gerritse zijn er diverse Kamerleden met meer dan één betaalde bijbaan: de CDA'ers Van der Burg, Deetman, Van Iersel en Vreugdenhil, de PvdA'ers Van Middelkoop en Vermeend, de VVD'ers Dijkstal, Van Erp, Rempt-Halmmans de Jongh en Van Rey. Het Kamerlid met de meeste nevenfuncties is voorzitter Deetman (15), waarvan twee betaald. Hij wordt gevolgd door Van Erp (VVD) met 12 bijbanen en verder door Gerritse (CDA), Jurgens (PvdA) en Van den Berg (SGP) elk met 10, betaalde en onbetaalde.

De PvdA'er Van Middelkoop (twee betaalde bijbanen): “Ik merk binnen de PvdA een mentaliteitsverandering; er wordt minder angstig en minder negatief gereageerd op nevenactiviteiten”. Een half jaar geleden kwam hij in de Kamer, na veertien jaar raadslid in Rotterdam te zijn geweest. Fractieleider Wöltgens stelde hem voor zijn raadslidmaatschap aan te houden; dat wilde Van Middelkoop wel, maar voor de Rotterdamse raadsfractie was dat onaanvaardbaar. “Dat idee van Wöltgens vond ik tekenend voor de veranderende opvattingen.” Zijn oude baan als adviseur van een door hem zelf opgericht organisatiebureau heeft hij opgegeven om verstrengeling van belangen te voorkomen. “Binnen mijn partij wordt ondanks veranderingen toch nog tamelijk spastisch gereageerd op vermenging van functies”, zegt hij. “Ik stel daar tegenover dat ik veruit de meeste informatie over de maatschappij niet in Den Haag krijg, maar in Rotterdam en dat zal wel zo blijven ook.”

Ook de CDA'er Gerritse vindt dat hij in veel situaties als Kamerlid een beter oordeel heeft door de informatie uit zijn andere maatschappelijke functies. “Je moet natuurlijk je petten wel goed uitelkaar houden”, waarschuwt hij. Gerritse is uit een bestuur van een inrichting voor geestelijke volksgezondheid gestapt, omdat zijn opvattingen als Kamerlid over overheidsmaatregelen duidelijk niet strookten met de gedachten daarover binnen dat bestuur.

Ook de man die zich beroepshalve met de maatschappelijke achtergrond van Kamerleden bezighoudt, Eerste Kamerlid (PvdA) en hoogleraar parlementaire geschiedenis in Leiden, dr. J.Th.J van den Berg, heeft een omslag in zijn partij geconstateerd. “Toen ik eind jaren zeventig voorstellen deed voor meer nevenactiviteiten van Kamerleden keken ze me meewarig aan in de PvdA. Geleidelijk aan is er een wat positiever opstelling gekomen.” Toch constateert Van den Berg nog sterke weerstanden. “Mensen beginnen ook steeds weer over de vraag of die nevenfuncties eigenlijk wel betaald mogen worden. Wat doet dat er nou toe, zeg ik dan. Iemand met een onbetaalde nevenfunctie kan net zo gebonden zijn als iemand die er geld voor krijgt. De hele discussie over dat geld is ook echt Hollands.”

Het Kamerlidmaatschap, aldus Van den Berg, is geen beroep als alle andere, het is een publiek ambt. “Je representeert bepaalde belangen en daar is ook niets op tegen, want politiek gaat over de afweging van belangen.” Hij vindt het dan ook wat onzinnig van Kamerleden om te zeggen, dat ze alleen het algemeen belang vertegenwoordigen. “Het algemeen belang komt tot uitdrukking in de uiteindelijke besluitvorming, na een afweging van alle fatsoenlijke belangen van de betrokkenen. Men moet niet doen alsof dat onzedelijk is.”

Van den Berg en anderen wijzen erop dat een streven naar meer bijbanen van Kamerleden een andere organisatie van het Kamerwerk vraagt. De PvdA'er Van Middelkoop: “Ik denk wel eens dat het Kamerwerk opzettelijk zodanig wordt georganiseerd dat iedereen gedwongen is de hele tijd in het gebouw aanwezig te zijn. Eén ding weet je altijd zeker: de agenda klopt niet. Ook als ik mij keurig heb afgemeld, merk ik achteraf altijd ergernis bij collega's dat ik er niet was bij een plotseling ingelaste stemming.”

Willen Kamerleden meer nevenfuncties hebben en meer het land in kunnen, dan moet er beslist minder worden vergaderd. De mogelijkheid daartoe wordt op de griffie van de Tweede Kamer sterk betwijfeld. Een van de griffieleden: “Normaal vergaderen we na het zomerreces niet op woensdagmorgen en donderdagavond. Dat zal deze keer absoluut niet gaan. En het plan om vanaf 1 januari nog maar twee dagen per week te vergaderen, is helemaal een illusie.”