Na 45 jaar eindelijk jazz-prijs voor radiopresentator Pete Felleman; 'De afstand tussen jazz en soul is niet zo groot'

Pete Felleman, bekend als radiopresentator, neemt vrijdagavond tijdens het North Sea Jazz Festival een Bird Award in ontvangst voor zijn "grote verdiensten voor de jazz-muziek'. Hij deelt die eer met programmamaker Michiel de Ruyter en jazz-impresario Norman Granz. Felleman (71) begint in oktober met een nieuwe serie uitzendingen bij de VPRO.

“Je krijgt een prijs van ons,” zei Paul Acket door de telefoon en Pete Felleman nam het bericht gevleid, maar enigszins bevreemd, in ontvangst. “Als je nagaat,” zegt hij, “dat ik in 1947 ben begonnen met mijn radio-uitzendingen en dat ik tot 1955 een idool was, met een programma dat in een populariteitsverkiezing zelfs één keer boven de Arbeidsvitaminen is geëindigd, dan moet je misschien zeggen dat zo'n prijs een beetje laat komt. Maar het is natuurlijk toch wel aardig om geprezen te worden. Jammer alleen dat Dizzy Gillespie dit jaar te ziek is om naar het festival te komen. In mijn allereerste uitzending in '47 heb ik al iets van Dizzy gedraaid en ik had graag tegen hem gezegd: eigenlijk is die prijs voor jou, voor de muziek... ik ben maar een middle man.”

De muziek houdt Felleman al sinds zijn jongensjaren bezig. Op de grote grammofoon in het ouderlijk huis speelden de orkesten van Paul Whiteman en Jack Hylton, maar de ware geestdrift ontstond pas toen hij voor het eerst een plaat van Louis Armstrong hoorde: “In 1930, ik was negen. Ik wist absoluut niet wie Armstrong was, maar die hele hoge, hele zuivere trompet - heel anders dan de muziek die ik kende.” Logeerpartijen in Londen stelden hem vóór de oorlog al in staat de platen te kopen, die in Nederland nog nauwelijks verkrijgbaar waren. Meteen na de bevrijding maakte hij contact met Canadese en Amerikaanse militairen, die bij hun vertrek bestellijstjes, op de zwarte markt gekochte dollars en verpakkingsinstructies meekregen om hem vanuit hun vaderland de begeerde platen te sturen.

De titels kende Pete Felleman door, in de eerste maanden na de bevrijding, nauwgezet te luisteren naar de American Forces Network: “Vooral het programma Midnight in Munich. Prachtige alliteratie ook; ik denk dat daar mijn liefde voor de alliteratie vandaan komt. 't Swingt ook lekker: voortreffelijk voorgedragen vers vol vurig verlangen... Maar mijn beste, op taalkundig gebied, is nog altijd: Art Tatum, you can't imitate'm. Dat AFN-programma was mijn eerste grote inspiratie op radiogebied. Niet de Hilversumse radio, nee, die was in die dagen veel te stijf. Ik heb altijd geprobeerd programma's te maken in die losse, swingende stijl, die in Nederland nog volkomen onbekend was.”

Iemand bij de VARA hoorde dat Felleman een afgunstwekkende platencollectie bezat en benaderde hem: de omroep had zo kort na de bevrijding een groot gebrek aan het moderne Amerikaanse repertoire - zou hij zijn platen niet in bruikleen willen afstaan? Felleman, intussen administrateur bij het diamantenexportbedrijf van zijn vader, antwoordde dat hij die uitzendingen dan ook zelf wilde samenstellen. De serie Swing & Sweet from Hollywood & 52nd Street was het eerste gevolg. Aanvankelijk werden zijn teksten nog voorgelezen door de omroeper van dienst, maar toen er op een keer geen omroeper beschikbaar was, nam hij zelf achter de microfoon plaats. “Ik wist dat ik op mijn zevende mensen aan het schrikken had gemaakt met mijn lage stem, maar besefte totaal niet dat die stem een attractie zou zijn.” Zijn tuba-diepe timbre, ook wel bronzen bariton genoemd, werd zijn handelsmerk.

Met programmaseries als USA Cabaret en Hit Parade en met lezingen-met-platen in zalen en zaaltjes bracht Pete Felleman de huidige generatie van vijftigers voor het eerst in aanraking met de nieuwe muziek uit Amerika. “Om van te watertanden,” schreef het populaire blad Tuney Tunes. Tot de VARA in 1957 bezwaar maakte tegen het feit dat hij intussen in dienst was getreden bij een platenmaatschappij. Hij werd gedwongen te kiezen tussen de vijftig gulden, die hij per uitzending bij de radio ontving, en zijn behoorlijke inkomen als label manager bij de firma Bovema: “Dat was dus niet zo moeilijk.”

Felleman verdween uit de ether en keerde pas tien jaar later terug als presentator van een soul-programma. Zijn baan in de platenindustrie had hem met dit nieuwe genre in contact gebracht: “De afstand tussen jazz en soul vind ik niet zo groot, soul is óók swingende muziek en iemand als Marvin Gaye is voor mij een jazz-man. De afstand met Motown, waarvoor ik jarenlang heb gewerkt, is veel groter. Maar toen ik daar eenmaal middenin zat en met mensen als Diana Ross en Stevie Wonder te maken kreeg, kon ik gaandeweg toch wel enthousiasme opbrengen voor hun vakmanschap. Het kostte me toen weinig moeite meer mijn eigen voorkeuren weg te cijferen.”

De tweede comeback van Felleman dateert van 1984. Hij hoorde dat een “in mijn ogen absolute zero van wie ik de naam ben vergeten” wekelijks een muziekprogramma voor de VPRO ging maken en belde een aldaar werkzame kennis met de vraag: waarom ik niet? Het leidde tot zeven wekelijkse minuten in Borat en sindsdien twintig minuten in De Plantage. Vanaf oktober hoopt hij daarin de eerste tachtig opnamen ten gehore te brengen, die vibrafonist Lionel Hampton ooit onder eigen naam heeft gemaakt, “Daardoor krijg je een uniek beeld van de swing era, eind jaren dertig. Ik heb gemerkt dat sommige mensen alleen maar hun nostalgische gevoelens op mij willen projecteren en niet geïnteresseerd zijn in het feit, dat ik nog steeds elke week op de radio ben. Maar nu ga ik me dus koesteren in mijn éigen nostalgie. Voor mij klinkt het nog even fris als toen ik ze destijds op 78 toeren kocht. Het enige wat is veranderd, is dat ik tóen als een jazz-nozem werd beschouwd, terwijl ik nu bij de VPRO niets dan respect ervaar.”