Muis als genendonor voor resistente aardappel

Het Centrum voor Plantenveredelings en Reproduktieonderzoek te Wageningen probeert genen die coderen voor antilichamen tegen nematoden in te bouwen in een aardappel. Uiteindelijk doel is de plant ongevoelig te maken voor aardappelmoeheid. De genendonor is dit keer niet een wilde aardappelplant uit Zuid-Amerika, maar een muis.

Om de gewenste resistentie te bereiken wordt eerst een enzym geïsoleerd uit de mond van de ziekteverwekkende nematode (aaltje). Besmetting van de wortel vindt namelijk plaats via de beet van een aaltje. Muizen worden ingespoten met dit specifieke eiwit. Als reactie op dit lichaamsvreemd eiwit maakt de muis antilichamen. In een volgende stap worden de cellen die de antilichamen in de muis maken geïsoleerd. Uit die cellen wordt het DNA geselecteerd dat de aanzet geeft tot de vorming van de gewenste antistoffen. Vervolgens is het de bedoeling om de genen via recombinant DNA technieken in te bouwen in onze cultuuraardappel (Solanum tuberosum) in de hoop dat de plant zelf deze antilichamen kan aanmaken.

Bij de aardappel is men nog niet zover. Maar dat de techniek werkt is inmiddels wel aangetoond bij de tabaksplant. Dit getransformeerde modelgewas produceert na infectie antilichamen tegen bodemaaltjes.

De nieuwe benadering leidt naar verwachting tot snellere resultaten dan veredeling met wilde varianten die van nature resistent zijn tegen aardappelmoeheid. Het is nog steeds niet gelukt om van resistente populaties de verantwoordelijke genen te lokaliseren. Veredeling op resistentie is extra ingewikkeld omdat er meerdere genen verspreid over meerdere chromosomen mee zijn gemoeid.

Aardappelmoeheid is de meest gevreesde ziekte onder de aarappeltelers. Boosdoener is een cysteaaltje dat het wortelstelsel aantast waardoor de groei sterk achterblijft, vandaar de term aardappelmoeheid.

Aaltjes kunnen zeven jaar overleven in een akker waar geen aardappelen op worden geteeld. Maar de meeste boeren zetten vaker aardappelen op hetzelfde perceel. Daarom moet de grond worden ontsmet. Dat gebeurt met stoffen als dichloorpropeen en metamsodium, die het grondwater vervuilen. Binnen enkele jaren worden deze grondontsmetters verboden door de overheid, vandaar de haast met de ontwikkeling van alternatieve middelen.