'Le Fantome de la Liberte'

Le fantôme de la liberté. Regie: Luis Buñuel. Met: Michel Piccoli, Monica Vitti, Jean-Claude Brialy, Milena Vukotic. In: Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

Luis Buñuels op een na laatste film, Le fantôme de la liberté (1974), begint met het tot leven wekken van een van Goya's beroemdste schilderijen: Fucilazioni del Tres de Mayo. Napoleons zwager liet op 3 mei 1808 een groep Spaanse opstandelingen fusilleren, die niets van de Franse vrijheid (en nog minder van gelijkheid en broederschap) wilden weten. Buñuel laat de slachtoffers uitroepen: "Viva las cadenas!' (Leve de ketenen!) en eindigt zijn film met dezelfde kreet, die dit keer weerklinkt in een dierentuin, waarvan de bewoners in opstand zijn gekomen. Het laatste beeld is dat van een struisvogel die zijn kop niet in het zand steekt.

In het hoofdstuk, getiteld "Alles kan', dat Anton Haakman in zijn boek Achter de spiegel (1977) aan Le fantôme de la liberté wijdde, wordt overtuigend aangetoond dat de ketenen ook verwijzen naar de structuur van de film. Buñuel en zijn scenarist Jean-Claude Carrière regen een groot aantal, nooit afgemaakte korte verhalen aan elkaar, die slechts door het toeval onderling verbonden zijn: “Le fantôme de la liberté speelt zich af in het grensgebied tussen het verhaal en de grillige manier waarop de dingen zich in werkelijkheid aan ons voordoen.” Zo vraagt een doktersassistente (Milena Vukotic) vrij om haar zieke vader te bezoeken, maar wordt onderweg opgehouden door militairen in een tank, die naar overstekende vossen speuren. Ze waarschuwen dat de weg verderop onbegaanbaar wordt en de vrouw overnacht in een herberg, waar ze een aantal paters ontmoet en door een Bergman geheten hoedenmaker uitgenodigd wordt een glas port te drinken. De volgende dag geeft een lifter een college over taboes in verschillende maatschappijen en raken we Vukotic kwijt aan een volgende hoofdpersoon, een gehaaste automobilist, wiens dochtertje ontvoerd is. Enzovoorts.

Deze losse, schijnbaar "vrije' structuur doet Buñuel, geobsedeerd door de rituelen van zijn streng katholieke jeugd, weer bijna verlangen naar het omgekeerde. Haakman schrijft in zijn briljante essay: “Niets is moeilijker dan zuiver arbitrair te werk gaan; schrijvers hebben daar, door de grotere vrijheid die ze genieten, in het algemeen meer moeilijkheden mee dan filmers, maar Buñuel is een van de weinige cineasten die zo vrij is dat hij zich voor dezelfde opgave gesteld ziet. Hij heeft dat karwei niet alleen uitgevoerd, tegelijk heeft hij bij wijze van kader het spookbeeld van die vrijheid tot onderwerp gemaakt.”

Je kunt ook stellen dat Buñuel weer eens zijn tijd vooruit was. In het jaar voor de dood van Franco begon de in Frankrijk wonende balling genoeg te krijgen van de uitwassen van de culturele revolutie, die hem als recalcitrant kunstenaar op een fluwelen kussen hadden geplaatst. Op het hoogtepunt van het linkse terrorisme in Duitsland en Italië filmde Buñuel zijn aanklacht tegen de vrijheid, die tegelijkertijd een van de meest onconventionele en fascinerende films uit zijn lange carrière werd.