Kwalijke geuren uit de mondholte

Courtois, J. Halitose. Ned. Tijdschr. Tandheelk. 1987; 94: 56-62. Rosenberg, M. Guest Editorial: Halitosis - The Need for Further Research and Education. J. Dent. Res. 71 (2): 424 February, 1992.

Ranzige luchten, die uit de monden van tandheelkundige patiënten opwellen, kunnen de werkvreugde van tandartsen aanzienlijk verminderen. En niet alleen van tandartsen of mondhygiënisten, maar van iedereen die het genoegen smaakt om iemand in zijn naaste omgeving te hebben met een slechte adem.

Slechte adem kan een sociaal probleem vormen. In de tandheelkundige literatuur worden gevallen beschreven waarin de kwalijke mondlucht een reden kan zijn voor echtscheiding of zelfs de aanleiding vormt van een poging tot zelfmoord.

Het verschijnsel, in vaktermen halitosis genaamd, blijkt complex van aard te zijn en heeft, merkwaardigerwijs, in het verleden weinig aandacht gekregen van tandheelkundige onderzoekers. Dit ondanks het feit dat het veel voorkomt en tandartsen regelmatig worden gevraagd of er een remedie is voor het probleem.

Vorig jaar werd in Acapulco een symposium gehouden waarin slechte adem centraal stond - voor zover bekend voor de eerste keer. Er blijken verschillende kernvragen over slechte adem te bestaan die grotendeels onbeantwoord zijn.

Enige daarvan zijn de volgende. Waarom zijn mensen zich in het algemeen slecht bewust van hun eigen slechte adem, terwijl zij geen probleem hebben het bij anderen op te merken? Hoe is slechte adem te bepalen, zowel in de laboratorium als in de klinische sitiatie? Wat is de rol van de verschillende mondontstekingen bij het ontstaan van de geur? Varieert slechte adem van cultuur tot cultuur? Kan halitosis gebruikt worden als diagnostisch hulpmiddel voor de aanwezigheid van tandvleesziektes? Zijn snel vervliegende zwavelmoleculen de enige oorzaak van slechte adem, of zijn er ook andere geurstoffen die een rol spelen?

Rottingsmechanisme

Hoewel er dus veel onbekend is over het verschijnsel zijn de meeste auteurs het er wel over eens dat niet de keel maar de mond de belangrijkste bron is van de onaangename geur. De geuren die in de mondholte ontstaan zijn het gevolg van een rottingsmechanisme. Micro-organismen tieren welig in endogene en exogene eiwitsubstraten, zoals bij voorbeeld voedselresten, tabak, afschilferingen van het mondweefsel, speekselresten en bloed. En wanneer de zuurgraad van het speeksel vrijwel neutraal is (pH 7.2) en er weinig speeksel is zoals tijdens de slaap of vastenperiode, gaat de geur ontstaan.

Men neemt aan dat de vluchtige bestanddelen met de meest onaangename geur twee vluchtige sulfiden zijn, namelijk waterstofsulfide (H2S) en methylmercaptaan (CH3SH) die samen 90 procent van de geproduceerde sulfiden uitmaken.

Een belangrijke hinderpaal bij de bepaling van de aanwezigheid van de onaangename geur was de afwezigheid van adequate meetmethoden. Men werkte in het verleden veel met panels van geurdeskundigen. Maar tegenwoordig maakt men gebruik van de gaschromatografie waarbij men op een zeer geavanceerde manier de aanwezigheid van de geurstoffen kan opsporen. Ook worden wat minder ingewikkelde meettechnieken gebruikt die bij voorbeeld gemakkelijk aan een tandartsstoel kunnen worden toegepast.

Klinieken

Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat op verschillende plaatsen in het buitenland klinieken zijn ontstaan waar men zich uitsluitend richt op de behandeling van slechte adem en het onderzoek naar het ontstaan ervan. In Acapulco kwam naar voren dat deze klinieken een gunstige functie kunnen vervullen.

Allereerst om mensen van het vervelende probleem af te helpen en te adviseren. De ervaring was dat sommige patiënten bereid zijn duizenden kilometers te vliegen om van hun slechte adem te worden verlost. Daarnaast worden vanuit deze klinieken postacademische cursussen georganiseerd om tandartsen de noodzakelijke kennis bij te brengen. En een derde activiteit is het opstellen van protocollen, nieuwe behandelingsmethoden en meettechnieken om het fenomeen in de toekomst beter te kunnen bestrijden.

Interessant is de constatering dat grote tandpastafabrikanten hun belangstelling hebben getoond voor het onderzoek op dit gebied en dat een ervan zelfs de Nare Mondgeur Kliniek in het Canadese Toronto financieel ondersteunt bij het onderzoek naar het verschijnsel.

Aandoeningen elders

De mondholte is de belangrijkste bron van mondgeuren. Maar bekend is dat halotosis ook een teken kan zijn van aandoeningen elders in het lichaam: infecties van neusholten, de luchtwegen, de maag en de slokdarm. Ook lever-dysfuncties kunnen geuren veroorzaken die doen denken aan de lucht van rotte vruchten of van urine, zelfs pancreas- en nieraandoeningen kunnen de oorzaak zijn. Verder is bekend dat de menstruatie soms gepaard gaat met een fysiologische, muffe mondgeur.

Zoals waarschijnlijk wel bekend speelt de voeding ook een rol. De verklaring van deze reden van mondgeuren is de volgende. Van een reeks voedingsmiddelen wordt de moleculen opgenomen ter hoogte van het spierweefsel van de maag en de dunne darm. Deze moleculen komen in de bloedstroom terecht en worden dan vrijgemaakt in de longen. Omdat deze, bij hun tocht, veel van hun aromatische kenmerken behouden zijn voeding en dranken, zoals uien, knoflook en alcoholica zo berucht. De mondgeur van rokers is genoegzaam bekend. Tabak camoufleert de meeste andere geuren. Tenslotte vermelden we nog dat ook geneesmiddelen, via diverse mechanismen, halitosis kunnen veroorzaken.

Omdat toch de mond meestal de oorprong is van de geuren zal dus eerst moeten worden onderzocht of daar de oorzaak van het probleem kan worden gevonden. In de klinieken krijgen patiënten een buitengewoon grondig mondonderzoek, waar vooral gekeken wordt naar tandbederf en de diepten van de tandvleespockets, de ruimten tussen de gebitselementen en tandvlees en kaakbot, waar het dikwijls wemelt van allerlei bacteriën en andere micro-organismen.

Van sommige plaatsen in de mond, in het bijzonder de tong, worden uitstrijkjes gemaakt die door microbiologen worden onderzocht. Nadat zou blijken dat dit mondonderzoek niets heeft opgeleverd begint men dan met de neus-, keel- en oorregio en daarna met de spijsvertering en de ademhaling.

Het zal duidelijk zijn dat mensen die last hebben van het verschijnsel er verstandig aan doen optimale mondhygiënische maatregelen te praktiseren en daarbij niet moeten vergeten de bovenkant van de tong en de tongrug dagelijks te reinigen. Dit gebied is immers de belangrijkste bron van de vluchtige sulfiden. Mondspoelingen zijn weinig effectief - een ideaal mondwatertje schijnt nog niet te bestaan.

Afsluitend kunnen we vaststellen dat, ondanks de vele problemen er genoeg van slechte adem bekend is om mensen te helpen. Maar wel is in ons land duidelijk behoefte aan een concentratie van kennis op dit gebied. Een samenwerkingsverband tussen de tandheelkundige faculteiten en de industrie zou een goed initiatief kunnen zijn.