Hogepriester van het fatsoen in de beklaagdenbank

Kunnen wij iets leren van de geschiedenis? Keer op keer vragen wij ons serieus af of staatshoofden ooit iets leren van hun voorgangers. Kan de menselijke geest zich zo maar distantiëren van de beperkingen inherent aan jaloezie en de bij ambitie behorende verleidingen.

De lijst van staatslieden die tijdens het interbellum niet slechts de lessen van de geschiedenis, maar zelfs de eerste beginselen van wijsheid negeerden, is schandelijk lang. Een aantal van hen overleefde de Tweede Wereldoorlog, al was het alleen lichamelijk. Net als vele anderen in de naoorlogse periode, zowel in het Westen en het Oosten als in de landen die in Azië en Afrika ontstonden, legden zij allemaal tekenen aan de dag van blindheid als het ging om anticiperen op het voor de hand liggende, van zwakte bij de aanpak van lastige en onheilspellende situaties en van gebrek aan leiderschap bij het tegemoet treden van de eigen bevolking.

Eén zo'n leider was Lord Halifax, een ”hogepriester van het fatsoen', zoals hij wordt genoemd door zijn nieuwe biograaf Andrew Roberts. The Holy Fox, zoals de titel van het boek luidt dat onlangs is uitgekomen bij Weidenfeld & Nicolson, geeft een onthullend inzicht in de wereld van bange, hoewel niet ongetalenteerde mensen, die niet begiftigd waren met de ingrediënten van groot leiderschap.

“Schuld”, schreef Talleyrand, “is een kwestie van data”. Hoewel Lord Halifax in de jaren twintig een voortreffelijke onderkoning in India was en tussen 1940 en 1946 een uitstekende ambassadeur in Washington, staat hij ”in de beklaagdenbank van de geschiedenis' voor de rol die hij heeft gespeeld in de periode van de Britse politiek van appeasement.

De data spreken duidelijk tegen hem. Van juni tot november 1935 was hij minister van oorlog en verantwoordelijk voor een leger waarvan hij dacht dat het niet zou hoeven vechten. Hij deed niets om dat leger te versterken en dientengevolge werd het, vijf jaar later, snel en roemloos verslagen. In november 1937 schudde hij de handen van een aantal van de meest verdorven tirannen uit de geschiedenis en vond hen niet anders dan zeer charmant. Toen hij in februari 1938 minister van buitenlandse zaken werd, maakte hij een fundamentele misrekening door te geloven “dat Hitlers raciale politiek zich niet noodzakelijkerwijs zouden ontwikkelen tot internationale machtswellust”. Tot september 1938 wrong hij zich in allerlei bochten om het het Nazi-regime naar de zin te maken. Van 25 tot 28 mei 1940 drong hij aan op voorwaarden om de Tweede Wereldoorlog tot een, volgens de auteur van zijn biografie, ”min of meer oneervol einde' te kunnen brengen. Dat is inderdaad een schrikbarende tenlastelegging.

Maar data vormen, volgens zijn biograaf, ook de basis van zijn verdediging. Op 25 september 1938, vlak voordat Chamberlain naar München vloog, leidde Halifax het verzet tegen de voorwaarden die zijn premier in Godesberg met Hitler was overeengekomen. Halifax riep toen op tot een politiek die gericht was op ”de vernietiging van het Nazisme'. In de maanden tussen München en Hitlers intocht in Praag in maart 1939, was Halifax praktisch de enige man in het kabinet die zoveel autoriteit bezat dat hij voor de ogen van Chamberlain de ontmanteling van de appeasement-politiek kon bewerkstelligen.

Hij slaagde erin weer een draagvlak te creëren voor verzet. Hij was pleitbezorger van een nieuwe militaire strategie in samenwerking met het Europese vasteland, van de formatie van een coalitie van nationale eenheid met de Labour Party, van de instelling van een ministerie van bevoorrading, van een algemene dienstplicht, en hij streefde naar de vorming van een ”Vredesfront' waarin militaire garanties in Oost-Europa werden gecombineerd met een Russische entente. Maar hij drong vooral aan op meer en intensievere herbewapening, in het bijzonder in de lucht.

De redenen waarom deze initiatieven destijds niet van de grond kwamen, hadden meer te maken met het feit dat Chamberlain heilig geloofde in zijn eigen vermogen Hitler in de hand te kunnen houden, dan met de verdiensten van de ideeën van Halifax. En toch kwam de morele schuld geheel voor rekening van Halifax.

Churchill en de weinigen die aan zijn kant stonden, hadden al jarenlang gepleit voor Britse herbewapening en een duidelijke stellingname tegen Hitler. Voor hen was de ontdekking van Halifax in 1938 dat Hitler moest worden vernietigd bemoedigend; Chamberlain en een aantal van zijn belangrijkste ministers bleven tenslotte tot de Tweede Wereldoorlog al aan de gang was geloven dat zij de Nazi-dictator konden temmen. Appaesement was het buitenlandse beleid van Het Fatsoen. Lloyd George en Churchill waren de voornaamste tegenstanders. Toen Chamberlain na het Britse debâcle in de zomer van 1940 gedwongen werd tot aftreden, waren de meeste leiders van de Conservatieve Partij voor Halifax als opvolger in Downing Street 10. Zelfs de leiders van de Labour Party zouden Halifax uiteindelijk hebben gesteund. Maar Halifax wees de koning, Chamberlain en zijn beste vrienden af en weigerde de post van premier.

De rationalisatie van die weigering is heel interessant. Eden bijvoorbeeld dacht dat Halifax de positie graag zou vervullen. Hij weigerde het premierschap niet omdat hij niet ambitieus was, maar omdat hij wist dat hij als minister van buitenlandse zaken in een betere positie zou verkeren om Churchill te weerhouden van ”rampzalige overdreven reacties'.

Men zou verwacht hebben dat Halifax, toen de oorlog voorbij was, beschikt had over een meer vooruitziende blik en meer visie op de realiteit van de nieuwe machtsverhoudingen. Maar ook dat aspect van leiderschap ontbrak weer in zijn karakter. Halifax deelde Churchills bezorgdheid over het IJzeren Gordijn en de Koude Oorlog niet, bijna zoals hij het kwaad van het Nazisme in de jaren dertig niet had begrepen. En dat brengt ons weer bij de fundamentele vraag: kan een politicus die een ernstige beoordelingsfout heeft gemaakt ooit herstellen van die blunder? Er zijn er maar weinigen die erin slagen hun schaamte over het verleden te overwinnen, maar de meesten van hen zijn hopeloze gevallen. Zij zullen nieuwe fouten maken, omdat zij niet de morele en intellectuele capaciteit bezitten een onvriendelijke wereld in de ogen te kijken.