Egoverlies

Freud was niet de eerste maar wel de meest invloedrijke als het gaat om het serieus nemen van de nachtbioscoop.

Iedereen droomt en niemand begrijpt precies waarom en wat het betekent, dus een droomtheorie spreekt onmiddellijk tot de verbeelding. Volgens Freud fungeert de droom als uitlaatklep van het onbewuste. De droom gunt de persoon een kijkje in de kolkende massa, die normaal gesproken overdag afgedekt wordt door het rationele ego en het autoriteitsgevoelige superego. Helaas treedt zelfs in slapende toestand het ego op als censor die de rauwe thematiek van het onbewuste vervormt tot fatsoenlijke symbolen. Dit leidt dan tot tamelijk saaie dromen, waarin de persoon bijvoorbeeld allerlei dingen in een koffer stopt, voordat hij op reis gaat, of druk in de weer is met een schoffel. Freuds sleutel is betrekkelijk eenvoudig: alle voorwerpen waar iets in kan, betekenen het vrouwelijk geslachtsorgaan, alle langwerpigheden staan voor de fallus. Dit axioma maakt de meeste dromen een stuk interessanter en sowieso is het introduceren van het begrip "symbool' als middel om een interpretatie te construeren een gouden greep. Niets is meer wat het lijkt, achter alles zit iets anders.

Er gaat een sterke bekoring uit van Freuds theorie over het id, het ego en het superego. De metafoor van die drie instanties in één persoon (het verlangen, de realiteit, het geweten) maakt een volstrekt plausibele indruk. Alleen dat onbewuste als huisvesting voor verboden verlangens blijft een beetje wringen, tenminste voor mij. Dat komt vooral doordat mijn dromen zo arm aan symboliek zijn. Een vroegere geliefde, die zelf elke nacht het theater van de waanzin betrad, noemde de mijne opzichtig transparant (hij had gelijk). Ik kan er wensen in herkennen of bepaalde angsten of herbelevingen van iets uit het verleden, maar de thema's zijn zonder uitzondering ook in mijn wakend bestaan terug te vinden, zij het dat ik al dromend zo'n vier, vijf, soms wel vijftien jaar achterloop op mijn actuele zelf. Maar verder kost het werkelijk geen enkele moeite mijn dromen te interpreteren, omdat ze precies gaan over waar ze voor staan. Inhoud en betekenis vallen samen, er zijn geen symbolen, er is geen censuur gepleegd, zodat de vraag zich opdringt: heb ik wel een onbewuste?

Er is maar één voorbeeld van een droom die afwijkt van het gangbare patroon waarin bekende thema's herkauwd worden. Een droom in zuivere zin kun je het eigenlijk niet noemen, want ik ben voor een deel wakker, zoals een slaapwandelaar ook net genoeg bij zijn positieven is om niet van de trap af te vallen. De droom, zoals ik deze bewustzijnsvernauwing bij gebrek aan betere term maar noem, heeft zich in verschillende vormen aan me voorgedaan en de meest beklemmende variant ging zo: Vroeg in de nacht word ik uit een diepe slaap wakker met het dreigende gevoel iets heel belangrijks kwijt te zijn. De omgeving is bekend, maar het gevoel van paniek wordt er niet minder om. Ik tast naast me in de leegte. Daar hoort iemand te liggen, maar die zit waarschijnlijk nog te werken, dat is het probleem niet. Er is iemand anders weg. Hoe zat het ook al weer in dit huis? Er zijn twee kinderen, dat weet ik heel zeker. Ik loop naar hun kamer om me ervan te vergewissen dat ze in hun bedjes liggen. Tot zover klopt het, maar hoe nu verder? Kinderen hebben een vader en een moeder, er moeten dus vier personen in huis zijn. Ik tel ze na op mijn vingers. Ik ga de vader lokaliseren. Die zit inderdaad achter zijn computer. Ik maak een praatje (“lukt het? ben je al bijna klaar?”) en doe intussen alsof er niets aan de hand is. Maar angst en wanhoop groeien. Er moet nog ergens een vierde persoon zijn! Waar is de moeder van die kinderen gebleven? Zwetend slof ik terug naar de slaapkamer. Niemand. Die arme kinderen, ze hebben geen moeder! Totdat ik op de rand van het bed ga zitten en het inzicht zich ineens aan me openbaart: ik ben zelf de moeder, er is helemaal niemand weg! Nooit eerder was ik zo opgelucht om weer wakker te worden.

Het onbewuste herbergt monsters en taboevolle paradijzen. Doorgaans schijnt het daar een kleurrijke troep te zijn. Droom ik eindelijk eens iets buitenissigs, weet mijn onbewuste niets beters te produceren dan angst voor egoverlies, de peilloze leegte die zich voordoet als de censor wegvalt. Freud zou er niet blij mee geweest zijn.