Een geheim Post bestaat niet in de ploegentijdrit

LIBOURNE/BORDEAUX, 9 JULI. Sinds 1976 won de ploeg-Post - of ze nu als Raleigh of als Panasonic door het leven ging - twaalfmaal een ploegentijdrit in de Tour de France. Uit welke renners de teams ook bestonden, succes was vaak verzekerd. Er moet dus een succesformule bestaan, is de voor de hand liggende vraag. Aan een tafeltje op het vliegveld Bordeaux Merignac, waar de Tour-renners zich hebben gemeld voor de luchtbrug naar Parijs, hoeft Eddie Bouwmans niet lang na te denken over het antwoord. “Alle renners weten allemaal dat de ploeg een traditie heeft in ploegentijdritten.”

De debuterende jonge kopman (24) en enige Nederlander in de Nederlandse ploeg kijkt uit zijn ogen alsof er geen geheim van de smid bestaat. Het is voor hem vanzelfsprekend. Eigenlijk heeft hij er nooit zo bij stil gestaan. Een geheim? Nee. “Belangrijk is de wil om te winnen, weten dat je de sterkste bent, goede afspraken maken en geconcentreerd blijven.” Hij wendt zijn blik af naar een belendend tafeltje, waar zijn collega's zitten: Olaf Ludwig. Vjatjeslav Ekimov, Dimitri Zdanov, Marc Sergeant, Guy Nulens, Eric van Lancker, Wilfried Nelissen en Maurizio Fondriest. “Met Ludwig, Ekimov, Zdanov en Fondriest heb je een winnende ploeg. Vooral als Ludwig op kop gaat rijden, voel je meteen dat het tempo met vijf kilometer per uur omhoog gaat.”

Belangrijk is de opstelling van de ploeg, weet Bouwman, sinds de tijdrit met een achtste plaats de beste Nederlander in het algemeen klassement. “De ploegleiders De Rooy en Planckaert maken de opstelling zodanig dat de sterksten achter elkaar rijden. Een zwakkere tijdrijder zoals ik moet niet tussen Ludwig en Ekimov rijden. Dan krijg je bij de aflossingen en te wisselend tempo. Ze bouwen de volgorde zo op dat het tempo een langzame golfbeweging maakt. Ik zit tussen Nulens en Sergeant. Dat zijn jongens die me opvangen als ik wegzak en een gaatje laat vallen.”

De opstelling wordt tevoren tijdens de training in de ochtenduren uitgeprobeerd. De ploegleiders houden vanuit de auto de ronddraaiende beweging van de ploeg in het oog. Zien ze dat de aflossing niet soepel gaat, dan worden veranderingen aangebracht. “Maar de meeste renners kennen elkaar al goed genoeg, dat ze weten hoe de krachtsverhoudingen liggen”, benadrukt Bouwmans. “Ze kunnen zelf improviseren als de onderlinge krachtsverschillen tijdens de race te groot worden. Dan slaat er een zijn beurt over. En rijdt een ander wat langer op kop. Ludwig en Ekimov zijn daar echt goed in. Omdat die de sterksten zijn. Je moet gewoon zorgen dat je niet te lang voorop rijdt, je mag jezelf niet over de kop rijden.”

Volgens Bouwmans gold gisteren de afspraak dat de ploeg in het begin op reserve zou rijden, om dan in de laatste 10, 15 kilometers voluit te gaan. Het was hard en de benen deden vaak zeer. Maar een vergelijking met bijvoorbeeld de beklimming van de stijle Marie-Blanque van maandag, durft hij niet te maken. “Dat is heel wat anders. Misschien is een ploegentijdrit toch minder zwaar. Maar ja, vandaag liep het echt goed en dan lijkt het achteraf niet zo zwaar. Maar ik heb in de Ronde van Spanje en in de Ronde van Middellandse Zee wel moeilijker ploegentijdritten gehad.”

Het was hem opgevallen dat er tijdens de race, die toch 73 minuten duurde, niet gesproken was. “Alleen toen de tussentijden werden doorgegeven door de ploegleiding, werd er onderling wat geroepen. Maar niet meer dan: we liggen zoveel voor op die ploeg.” Toch een teken dat het perfect ging. Hij heeft het wel eens anders meegemaakt. Dan werd er gevloekt en gescholden. “Maar dan wist je dat het niet meer goed zou komen. Dan kun je nog zo hard schreeuwen, dan zit het al verkeerd.”

Alles draait om de organisatie, beseft Bouwmans. “Je merkt het aan de soigneurs voor de wedstrijd en aan hoe nerveus de mécaniens met het materiaal bezig zijn. Nog even naar de bandjes kijken, aan de remmen trekken, de versnelling voelen. De ploegleiders naaien je op. Planckaert en De Rooy hebben het zelf ook gedaan als renner in de Panasonic-ploeg. Ze stralen uit dat het wel goed zit. Ze geven je het gevoel dat het niet meer fout kan gaan. Dat het niet aan hun zal liggen. Jij moet het nu ook goed doen. Je mag geen fout maken. Verder is het een kwestie van zo hard mogelijk trappen.”

Nee, het is niet Post die de toon zet. Met hem heeft het niet rechtstreeks te maken dat de ploeg de tijdrit wint, zegt Bouwmans. “Bij de voorbereiding op de ploegentijdrit is hij niet betrokken geweest. Ik heb hem alleen maar vanmorgen een hand gegeven. Hij zei alleen maar: goede morgen. Dat was alles. Misschien dat De Rooy en Planckaert van hem de succesformule hebben geleerd. Dat weet ik niet. Maar dat zal wel.”

Hij weet dat ze in Japan, bij de sponsor, ontzettend veel waarde hechten aan een prestatie van de ploeg. “Een overwining in de ploegentijdrit is misschien belangrijker dan een overwinning in een gewone etappe. De Japammers vinden een collectieve prestatie het belangrijkst. Daar hamert Post ook telkens weer op. Als er morgen fax in Japan binnenkomt staan ze te juichen. Iedereen wist dat we vandaag moesten winnen. Dan is de Tour al bijna geslaagd, in elk geval voor de sponsor.”

Sfeer is een belangrijke, mogelijk doorslaggevende factor, geeft Bouwmans toe. En die is er de laatste maanden zeker. Hij trekt de vergelijking met de Amstel Gold Race, de manier waarop de ploeg toen reed, niemand was egoïstisch. Fondriest reed toen perfect, Ekimov en dan hoe Ludwig de sprint won. “In de Ronde van Zwitserland wonnen we vier ritten. Er zijn prestaties, iedereen rijdt goed. Dat geeft zelfvertrouwen. Zijn er geen prestaties, dan is het andersom, dat is duidelijk.”

Bouwmans rukte door de tijd van zijn ploeg in de tijdrit op naar de achtste plaats in het klassement. Daarmee passeerde hij Erik Breukink, wiens ploeg op een teleurstellende tiende plaats eindigde. Het worden zware, drukkende dagen voor Nederlands Tour-lieveling. Misschien dat door de verrassend hoge positie van Bouwmans Breukink tot de tijdrit van maandag in Luxemburg wat minder aandacht krijgt. Bouwmans is allerminst opgetogen door zijn hoge klassering. Hij maakt een nuchtere indruk. De manier waarop hij in veel media is opgehemeld, begrijpt hij niet. Er was toch geen reden voor. Nu de aandacht zich na de tijdrit nog nadrukkelijker op hem zal richten, zou een lichte vorm van nervositeit hem niet misstaan. Maar de bescheiden Brabander uit Gemert weet dat er tijdens zijn Tour-debuut geen grote daden van de ploegleiding worden verwacht. “Ik ben hier om te leren”, zegt hij met een lachje op zijn jongensgezicht.

Van hem worden in de Alpen op grond van zijn klimmerstalent niettemin enige staaltjes verwacht. Zoals hij met name in de eerste etappe tijdens de beklimming van Jaizkibel even liet zien dat hij niet voor de beste klimmers hoeft onder te doen. Relativerend: “Ik ken die beklimming als m'n broekzak. Ik heb een tijdje op de wielerschool van Stofberg daar in Spanje gezeten. Dan reed ik iedere dag over de berg. Ik wist waar ze tempo zouden maken. Dat klopte ook en ik was erbij.” Lastiger was het op de Marie-Blanque. “Maar die was ook te steil voor mij.”

Morgen wacht het peloton de kasseien van Vlaanderen. Hoe houden de Spanjaarden zich? Indurain met name, die nooit in Vlaamse klassiekers reed. Maar hoe houdt Bouwmans zich. “Ik zie wel. Het hangt toch helemaal af van de koers. En we hebben een goede ploeg.” Meer angst heeft hij voor de tijdrit van maandag. “Op een verlies van een minuut of drie op Bugno moet ik zeker rekenen. In de Ronde van Zwisterland verloor ik op de helft van de afstand van de tijdrit in Luxemburg anderhalve minuut. Ik ben nog niet zo'n goede tijdrijder, Een kwestie van kracht en, ja, instelling. Je moet misschien weten dat je het kunt.”