Delftse minderwaardigheid

De lange weg naar de Technische Universiteit Delft. De Delftse Ingenieursschool en haar voorgeschiedenis. Door H. Baudet. Den Haag, SDU Uitgeverij, 1992. Prijs: ƒ 65,00 (geb.), ƒ 52,50 (paperb.).

Ruim een halve eeuw hebben de Nederlandse universiteiten nodig gehad om er aan te wennen dat ook in Delft universitair onderwijs wordt gegeven. In 1947, toen zij daar echt niet meer onderuit konden, werd de rector magnificus van de toenmalige Technische Hogeschool toegelaten tot het academisch walhalla: het rectorencollege. Hij mocht voortaan bij zijn collegae aanschuiven om zorgen en belangen van de universiteiten te bespreken.

In de vijftig jaar daarvoor kwam de toelating van Delft weliswaar met enige regelmaat in het college aan de orde, maar steeds waren er wel argumenten te vinden om de hogeschool buiten de deur te houden. Liever dan een instelling toe te laten waar voor een beroep (ingenieur) wordt opgeleid en waar de nadruk niet zozeer op "zuivere' wetenschap ligt alswel op het gebruik daarvan, sloten de rectores een gereformeerde en een katholieke universiteit in de armen.

Het lidmaatschap zelf is niet zo belangrijk. Het rectorencollege kwam lange tijd niet boven het niveau van een veredelde borrelclub uit - pas de laatste jaren entameert het discussies die er voor het hoger onderwijs toe doen. Maar de houding van de universiteiten is kenmerkend voor hun opvattingen over Delft, zo constateert de historicus prof. dr H. Baudet terecht in het gedenkboek dat hij schreef ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de inmiddels tot Technische Universiteit omgedoopte Delftse opleiding.

Brallerige vlerkerigheid

Hetzelfde gold voor de erkenning van de Delftse student. Er was een taaie strijd nodig om te worden toegelaten tot de club van landelijke corpora. Hoewel maar een kwart van de studenten lid was van het Delftse corps, werd aansluiting bij de gevestigde corpora zoals die in Groningen, Leiden en Utrecht toch belangrijk gevonden: Delftse studenten waren èchte studenten - ook al manifesteerde zich dat net zoals elders behalve in camaraderie voornamelijk in de vorm van brallerige vlerkerigheid. Toch werden de Delftenaren maar nauwelijks geaccepteerd. Toen in 1864 de Hogeschool door Thorbecke onder hetzelfde wettelijke regime werd geplaatst als de HBS - en daarmee onder dat van het voortgezet onderwijs - waren de corpora er als de kippen bij om de erkenning van het Delftse corps in te trekken. Dat werd in 1870 weer ongedaan gemaakt toen ook in Leiden duidelijk werd dat de Delftse opleiding in feite hoger onderwijs was, in tegenstelling tot het formeel wel tot het hoger onderwijs gerekende gymnasium.

Deze gebeurtenissen zijn illustratief voor de ontwikkeling van het technisch onderwijs. Daarbij komt dat zeker in de beginjaren de techniek werd gezien als een terrein waarop vooral de burgerij zich wel kon (en mocht) ontplooien: Niet voor niets werd de Hogere Burgerschool - de HBS - lang gezien als dè voorbereiding op de opleiding tot ingenieur. De oprichting, in 1842, van de Koninklijke Akademie, door de TU Delft beschouwd als het begin van haar bestaan, vond bovendien plaats ten behoeve van het onderwijs in "handel en nijverheid'. Dit alles heeft een, wat je zou kunnen noemen, "minderwaardigheidscomplex' tot gevolg dat de stand der ingenieurs - en dan vooral die uit Delft - tot op de dag van vandaag aankleeft en dat veel van wat Baudet heeft aangetroffen verklaart.

Met een weldadig aandoende afstandelijkheid beschrijft Baudet de soms moeizame ontwikkeling van de Technische Universiteit en de strijd om erkenning die vrijwel permanent moest worden geleverd. Zoals in 1905, toen de technische universiteit in haar derde gedaante - als hogeschool na eerder Koninklijke Akademie en Polytechnische School te zijn geweest - eindelijk ook formeel tot het hoger onderwijs werd gerekend. Een langdurige discussie was toen nog nodig om de universiteiten ervan te overtuigen dat een doctoraat in de technische wetenschappen dezelfde waarde heeft als een doctorstitel in een van de andere disciplines. Ook al was de dissertatie niet in het latijn en was het onderzoek vaak op praktisch werk gebaseerd.

Toen die strijd achter de rug was - en het tot voor enkele decennia zelfs als vanzelfsprekend werd beschouwd dat de Delftse dissertaties in feite ontwerpen waren - was impliciet ook erkend dat de titel van ingenieur dezelfde waarde heeft als die van doctorandus. Dat was belangrijk, want vanuit hun standpunt bezien hadden de universiteiten daar niet geheel onbegrijpelijk een punt van gemaakt. Anders dan bij bijvoorbeeld geneeskunde, waar de beroepserkenning pas na het doctoraalexamen komt en in handen ligt van de beroepsverenigingen, ligt bij de techniek die verantwoordelijkheid bij de (technische) universiteit. Dat betekende, zo meenden de universiteiten, een openlijke erkenning van het feit dat het academische onderwijs een beroepsopleiding is. Dat was en is voor degenen die graag de ogen sluiten voor de werkelijkheid en vasthouden aan het fictieve universitaire ideaal vloeken in de kerk.

Emancipatie

De ingenieurs hebben op hun eigen manier aan hun emancipatie gewerkt. De negentiende eeuw heeft daarvoor achteraf bezien het nodige materiaal geleverd. Zij deden het anders dan bijvoorbeeld de medici. Die slaagden er toen in de eigen rijen te sluiten - door de piskijker buiten de deur te zetten - om zo langdurig van een hoge status verzekerd te zijn. De dure gezondheidszorg is de prijs die daarvoor nog steeds wordt betaald.

Aan de Technische Universiteit gebeurde het allemaal niet erg zelfbewust. Het was afzetten tegen anderen met de nodige arrogantie. Voortdurend wordt duidelijk gemaakt dat de technische wetenschappen moeilijk zijn, maar voor een kleine groep toegankelijk. Terwijl voor de student met een exacte aanleg de wiskunde niet moeilijker (of makkelijker) zal zijn dan de vertaling voor degenenmet een talenknobbel. Door de jaren heen zeuren de hoogleraren en docenten in Delft ook over het niveau van hun studenten. Begin jaren zeventig, 120 jaar geleden, werd er al door de polytechnische school over geklaagd dat de HBS eerstejaars van onvoldoende niveau afleverde, hoewel de HBS toch werd opgezet als de vooropleiding bij uitstek voor de ingenieursstudies. Dat klagen is sindsdien niet anders geworden. En steeds werd en wordt de oorzaak voor de mogelijk onvoldoende kennis van de eerstejaars bij de vooropleiding gelegd, zo signaleert Baudet. In 1933 werd er daarover zelfs officieel bij de minister gerapporteerd. Een meerderheid van de eerstejaarsstudenten had een repetitor nodig om enigermate bij te kunnen blijven.

Eind jaren veertig gaf volgens de hogeschool de kwaliteit van de eerstejaars opnieuw aanleiding tot een collectieve actie. Een strengere selectie bij de toelating zou al in het eerste jaar tot een lagere uitval van studenten leiden. De resultaten van een onlangs gehouden vergelijkend onderzoek bij de elektrotechnische opleidingen in verschillende Europese landen leren beter: in België, waar streng wordt geselecteerd, stoppen in het eerste jaar vrijwel even veel studenten als in Nederland.

In feite laat de staf van de hogeschool zich maar weinig aan de studenten gelegen liggen. Omgekeerd is dat geenszins het geval. Meer dan aan andere universiteiten blijven de Delftenaren betrokken. Zozeer zelfs dat het Koninklijk Insitituut voor Ingenieurs, bijna een eeuw lang gedomineerd door Delftenaren, zich tot woede soms van de andere technische universiteiten opstelt als belangenbehartiger voor Delft. Toch was het tot in de jaren zestig voor de meeste hoogleraren ondenkbaar dat zij door een student werden aangesproken. Maar het meest pijnlijk blijkt de kloof tussen hoogleraar en student in de tweede wereldoorlog en kort daarna. Zoals die oorlogsperiode ook scherp bloot legt dat de staf maar weinig zelfbewust is - of, om een understatement van Baudet te gebruiken: getuigt van weinig fierheid.

De jaren veertig vormen een zwarte bladzijde - Baudet laat daar geen enkele twijfel over bestaan. Het ontbreken bij de staf van enige ruggegraat toen studenten en docenten vanwege hun joods zijn van de universiteit werden verwijderd (de studenten en maar enkele docenten protesteerden wel met een staking, maar dat werd hen door het merendeel van de hoogleraren niet in dank afgenomen) kan terecht bij Baudet geen genade vinden.

Loyaliteitsverklaring

Met nuancering beschrijft Baudet ook de gang van zaken in 1943 toen de Delftse senaat - overigens niet unaniem - studenten adviseerde de loyaliteitsverklaring te tekenen. De senaat was daarmee de enige en een kwart van de studenten volgde het advies op. Daardoor telde Delft twee keer zo veel ondertekenaars als de andere universiteiten - waar tegenover staat dat er in de oorlog daar ook de meeste studenten in gevangenis en verzet omkwamen.

De behoefte om vooral gewoon door te kunnen gaan met het dagelijkse werk was in Delft sterk, zo constateert Baudet die daar veel voorbeelden voor aandraagt. Een groot deel van voorstemmers voor het positieve advies door de senaat kreeg daar wel al vrij snel spijt van. Maar het kostte eind 1945 veel moeite om de senaat zover te krijgen dat hij ook openlijk erkende twee jaar eerder niet verstandig te hebben gehandeld. Echt fout ging het toen de senaat vervolgens nauwelijks iets deed voor de studenten die op zijn advies hadden getekend en daarvoor tijdens de zuivering werden gestraft.

De Delftse wereld blijft een gesloten wereld - al zijn ingenieurs inmiddels tot de top-tien van de maatschappelijke statusladder doorgedrongen. Voor een deel komt dat misschien door de sterke concentratie op de technische vakken - voor de andere disciplines bestaat er vrijwel geen belangstelling en die vakken zijn ook vrijwel niet in de curricula te vinden. Pogingen om daar verandering in te brengen zijn volgens Baudet mislukt. Maar zeker ook is het de arrogantie die zich in de loop van de jaren - miskend als Delft zich voelde - heeft ontwikkeld die de universiteit het gevoel geeft zelf wel te kunnen bepalen hoe de wereld in elkaar zit - of zou moeten zitten. Dus verzette Delft zich fel tegen de vestiging van de technische universiteiten in Eindhoven en Enschede. Dus ook blijven ze er zich afzetten tegen - "neerkijken op' is misschien nauwkeuriger - afgestudeerden van de Technische Hogescholen, het hoger beroepsonderwijs dus. Dus ook moeten die zich maar in een eigen beroepsvereniging organiseren en dienen de eigen (Delftse) opleidingen langer te duren dan vier jaar als de cursusduur van hen vier jaar is. Dus ook worden de in de loop van de jaren herhaaldelijk uitgebrachte adviezen van belangrijke deskundigen uit de eigen universiteit om de studieduur te verkorten steeds weer van tafel geveegd.

Baudet beschrijft de Technische Universiteit Delft nauwgezet maar uiterst leesbaar en, zoals gezegd, met veel afstandelijkheid. Hij wordt daarbij gesteund door J.H. Makkink die als fotoredacteur het boek heeft voorzien van fraaie foto's die vaak een mooi inzicht geven in de ontwikkeling in de afgelopen 150 jaar. Alleen in het laatste hoofdstuk laat Baudet de afstand wat varen. Dat is opmerkelijk want over het functioneren van het universitaire bestuur in de jaren zeventig en tachtig zegt hij dat eigenlijk degene die in 2042 het gedenkboek schrijft daarover maar moet oordelen. Waarschijnlijk hebben zijn eigen ervaringen als hoogleraar aan de Groningse Universiteit met de democratisering hem parten gespeeld. Niettemin slaagt Baudet er ook in zonder veel aanziens des persoons aan te geven hoe ook de invoering van het gedemocratiseerde bestuur in Delft, krampachtiger en daardoor met veel meer moeilijkheden gepaard ging dan aan de andere universiteiten.