DE VEREENVOUDIGING VAN KERKELIJKE KLEDING; Liever geen wufte kant of zijde

Tentoonstelling "De kleren van de kardinaal'. Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Nieuwegracht 63, Utrecht. T/m 27 december. Di t/m vr 10-17u, za-zo 11-17u. Inl 030-313835.

Zes meter en geen centimeter meer. Zo lang was de sleep van rode zijde die vroeger om de schouders van een kardinaal hing. Waarom droeg hij eigenlijk zo'n pompeus kledingstuk? Dat is een vraag waarop menigeen tegenwoordig geen antwoord kan geven. Sinds de jaren zestig zijn binnen de katholieke kerk bisschoppelijke erediensten en de daarbij behorende gewaden immers in onbruik geraakt. Ze behoren, zeker voor de jongere generaties, tot vergeten cultuurgoed dat waarschijnlijk nooit meer terug zal keren.

Wie een blik wil werpen op dit aspect van het Roomse leven moet een kijkje nemen in Rijksmuseum Het Catharijneconvent te Utrecht. Daar is tot en met 27 december een mooie tentoonstelling te zien over liturgische gewaden en staatsiekleding van bisschoppen, aartsbisschoppen en kardinalen uit het eind van de vorige en de eerste helft van deze eeuw. Naast de afgeschafte garderobe van de aartsbisschoppen van Utrecht worden ook de omvangrijke kleerkasten van de kardinalen De Jong en Alfrink voor het eerst aan het publiek getoond. Kostbare staatsiegewaden en rode en paarse satin duchesse, schoenen van ribzijde en goudgalon en onderkleding van kant tonen iets van de pracht en praal waarmee deze kerkelijke gezagsdragers zich kleedden. Een paar witte zijden kousen verraden met een minuscuul vignetje zelfs hun herkomst. "Paris' staat er te lezen.

Zijde, goud, kant. Het klinkt allemaal nogal zwoel en werelds, maar dat was het geenszins. De ceremoniële kleding was gebonden aan strenge voorschriften die al uit de vroege middeleeuwen dateerden en die vanaf de 16de eeuw officieel waren vastgelegd. Zo kon men aan de kleur van het biesje op de gewaden altijd direct zien of men te maken had met een gewone priester, een bisschop of een kardinaal. Rood was de vorstelijke kleur en werd aanvankelijk alleen door de paus en zijn kardinalen gedragen. Maar omdat de pausen sedert de 16de eeuw steeds meer wit gingen gebruiken, werd rood bijna exclusief de kleur van de kardinalen. Paars werd als een stapje lager ervaren en was daarom de kleur voor de (aarts)bisschoppen.

Voor de verschillende functies binnen het kerkelijke gezag bestonden speciale kledingstukken. Zo is op de expositie een tafereel in scène gezet van een kardinaal die met een cappa magna (grote mantel) voor een altaar knielt. De mantel is van rode moiré-zijde en voorzien van een hermelijnen schoudermantel en een majestueuze sleep van zes meter. De cappa magna werd alleen gedragen wanneer de kardinaal een leidende of vertegenwoordigende functie had. Dat is te zien op een fragment van een Polygoon-journaal uit 1930. Als de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders ter gelegenheid van een wijdingsceremonie uit een gammel T-Fordje stappen, assisteert een geestelijke hen met de lastige sleep.

Het symbool bij uitstek van een kardinaal was de purperen kardinaalshoed met lage bol en brede, platte rand. Aan weerszijden hingen rijen kwasten van zijde. Van oorsprong was het een reishoed die men gewoon op het hoofd kon dragen. Maar in de loop der eeuwen werd de hoed groter en het gebruik ervan symbolischer. Het prachtige exemplaar dat in Utrecht te bewonderen valt, is nog gedragen door kardinaal Alfrink. Bij zijn benoeming in 1960 zette de paus hem even op diens hoofd. Daarna had de hoed slechts een ceremoniële functie. Lang zal Afrink hem niet gebruikt hebben, want de kardinaalshoed werd in 1968 afgeschaft.

In dat jaar werd het kledinggebruik in de katholieke kerk als gevolg van het Tweede Vaticaans Concilie sterk vereenvoudigd. Tal van kledingvoorschriften raakten in onbruik. De meeste prelaten waren er zelf niet rouwig om. De onderkleding van kant en de lange gewaden van damastzijde werden over het algemeen toch als vrouwelijk en wuft ervaren. Liever kleedde men zich in sobere, ruwe weefsels of "mannelijker' stoffen. En de breed uitvallende sleep van de cappa magna (een typische renaissance-dracht die diende om de achterhand van het paard te bedekken) bleek zeer onpraktisch in het moderne bestaan. Het verhaal gaat dat kardinaal Suenens hierover ooit in wanhoop uitriep: “Wat die sleep betreft, óf hij wordt afgeschaft, óf we krijgen onze paarden terug.”