Commissie-Meijer dreigt dienstplicht te rekken

Terwijl onze zuiderburen de doodsklok voor de dienstplicht hebben geluid, ploetert bij ons de commissie-Meijer voort. Daarbij heeft zij zich, zo blijkt uit de tweede voortgangsrapportage, op een dwaalspoor laten brengen, waardoor de conclusies van deze commissie al bij voorbaat van vraagtekens moeten worden voorzien.

De probleemstelling van de commissie luidde: “Is het wenselijk dan wel noodzakelijk de dienstplicht te handhaven dan wel af te schaffen?” Dit wordt door de commissie vertaald in de vraag of de krijgsmacht kan voorzien in haar kwantitatieve en kwalitatieve personeelsbehoefte als de dienstplicht wordt afgeschaft. Terwijl het Belgische voorbeeld deze vraag feitelijk al positief beantwoordt, staat de manier waarop "Meijer' deze vraag behandelt welhaast garant voor een negatieve uitkomst.

Wat is namelijk het geval? De commissie hanteert de “financiële plafonds zoals aangegeven in de Defensienota daarbij als referentiekader”. Ook voor de personele behoefte wordt de Defensienota als richtsnoer gebruikt.

Concreet gaat de commissie dus onderzoeken of het mogelijk is de huidige situatie, waar bijvoorbeeld een academicus voor minder dan het bijstandsniveau wordt gedwongen binnen de krijgsmacht te werken, te vervangen door een situatie waarbinnen dezelfde kwantiteit en kwaliteit personeel in de krijgsmacht kan worden gehaald zonder dat dit belangrijk meer gaat kosten. De eerste de beste leerling van het basisonderwijs kan deze vraag voor de commissie wel beantwoorden, en tegen een fractie van de kosten.

Het zou de commissie-Meijer sieren als zij naast de directe kosten van de dienstplicht (het defensiebudget) ook de verdere maatschappelijke kosten en opbrengsten zou berekenen. Te denken valt aan leegloop, functioneren onder niveau en het onderbreken c.q. afbreken van opleidingen. Daarnaast zullen bij afschaffing van de dienstplicht ongeveer 40.000 jongeren op de arbeidsmarkt komen die produktief kunnen worden ingezet dan wel ononderbroken hun opleiding kunnen voltooien. Kortom, het totale kosten-baten plaatje is minder eenduidig dan in eerste instantie lijkt.

Naar onze mening onderzoekt de commissie het dienstplichtprobleem dus op een verkeerde manier. De militaire dienstplicht is een internationaal erkende uitzondering op het verbod op dwangarbeid. Op zich is er wel wat te zeggen voor deze duidelijke inbreuk op de fundamentele mensenrechten. Mensenrechten verliezen immers hun waarde als de staat, die garant staat voor de handhaving van deze rechten, omver wordt geworpen door willekeurig welke wilde horde. Kortom, om de rechtsstaat te verdedigen kan het nodig zijn om een inbreuk te maken op de rechtsstaat. Het zal echter tevens duidelijk zijn dat dit alleen kan en mag als er geen andere mogelijkheid bestaat. Het is niet voor niets dat met name de gewijzigde internationale verhoudingen de dienstplicht ter discussie hebben gebracht.

De commissie zal zich moeten afvragen wat, gezien de huidige internationale situatie, de minimumbehoefte is van de krijgsmacht om een doeltreffende defensie te handhaven. Daarbij zijn zaken als muziekkorpsen, militaire wielerploegen en dergelijke in ieder geval niet nodig voor het afschrikken van een potentiële vijand. Maar ook eventuele taken in VN-verband moeten buiten beschouwing blijven. Het vervullen van VN-taken in Verweggistan mag niet de reden zijn voor de drastische beperking van iemands vrijheid die de dienstplicht met zich meebrengt. Dit is misbruik en moet van de hand worden gewezen.

Dit wil niet zeggen dat de Nederlandse krijgsmacht niet ingezet mag worden voor dergelijke taken. Als de Nederlandse regering een bijdrage wil leveren aan de internationale rechtsorde is dat positief. Maar zij moet dit op dezelfde manier uitvoeren als andere, min of meer normale, taken van de overheid. Als het gaat om ontwikkelingssamenwerking, de verzorging van zieken en bejaarden of het in goede banen leiden van het verkeer, staat het buiten kijf dat het personeel voor deze taken via de normale arbeidsmarkt moet worden geworven. Dit zorgt voor een marktconforme beloning voor de geleverde arbeidsinspanning van de ontwikkelingssamenwerker, de verpleegkundige en de verkeersagent. Voor militaire taken die niet in verband staan met het verdedigen van de Nederlandse staat zal de overheid dezelfde reguliere arbeidsmarkt moeten gebruiken.

Wat echter doet de commissie Meijer? Zij neemt de Defensienota als uitgangspunt; een nota die zelfs voor minister Ter Beek niet meer als leidraad dient. De minister stelt dat hij met zijn prioriteitennota wacht op de commissie Meijer. Als deze adviseert om de dienstplicht af te schaffen, zal dat volgens hem van invloed zijn op de toekomstige krijgsmacht. Dit is meer dan een open deur. Hier stelt Ter Beek feitelijk dat het mogelijk is om een effectieve krijgsmacht zonder dienstplichtigen op de been te brengen. De commissie-Meijer echter ploetert voort aan de hand van de Defensienota en steunt voor de te gebruiken informatie zwaar op het militaire apparaat.

Als er nu één organisatie is die er alle belang bij heeft om de dienstplicht te handhaven, is dat het militaire apparaat zelf. Als de dienstplicht wordt afgeschaft zal immers de hele organisatie overhoop worden gehaald. Bovendien is het werken met gelegaliseerde dwangarbeiders een stuk makkelijker dan werken met professionals die ook nog eens ontslag kunnen nemen. Niet voor niets heeft generaal Charlier, de chef-staf van het Belgische leger, al geprotesteerd tegen de afschaffing van de dienstplicht bij zowel de Belgische regering als bij de Belgische Koning.

Het valt te vrezen dat de commissie-Meijer tot de slotsom komt dat de huidige krijgsmacht, met alle voor de landsverdediging onnodige toeters en bellen, zonder dienstplicht een stuk duurder wordt. En dat zou dan niet passen in de maatschappelijke roep om bezuinigingen op Defensie. De politieke moed om de militaire top van Nederland te confronteren met de gewijzigde internationale situatie lijkt te ontbreken. Daarbij wil de Nederlandse belastingbetaler nu eenmaal zo weinig mogelijk aan Defensie uitgeven. Het gevaar dreigt dat door deze dwaalweg van de commissie-Meijer in de toekomst nog tienduizenden jonge mannen (hoezo gelijke behandeling?) letterlijk het kind van de rekening zijn.

Concluderend kan worden gesteld dat de uitzondering op het verbod op dwangarbeid voor de militaire dienstplicht nauwelijks nog verdedigbaar lijkt. Een directe militaire bedreiging voor de Nederlandse staat lijkt er immers niet meer te zijn.

Bekeken moet worden of er nog een - potentiële - bedreiging bestaat voor de Nederlandse staat en zo ja, of deze bedreiging zwaar genoeg is om een verder gebruik van de dienstplicht te rechtvaardigen. Als deze vragen negatief worden beantwoord, waar wij vooralsnog vanuit gaan, kan en mag de commissie-Meijer niet anders dan adviseren de dienstplicht zo spoedig mogelijk af te schaffen. Het voorbijgaan aan deze vragen duidt volgens ons op een schrijnend gebrek aan politieke moed en duidelijkheid. Hierdoor dreigt de commissie-Meijer een alibi te worden voor het plaatsen van het dienstplichtvraagstuk in de politieke ijskast.