Bush in de voetsporen van Carter

Washington is, uitgerekend in een tijd waarin overduidelijk zou moeten zijn dat George Bush op een zekere herverkiezing afstevent, in de greep van het alles overtreffende gevoel dat de president een falende regering leidt. Bush reisde gisteren van de economische top in München naar de Europese Veiligheidsconferentie in Helsinki, waar wordt afgerekend met de Koude Oorlog en de bipolaire wereld, maar de nationale stemming wordt in de Verenigde Staten toch eerder bepaald door zijn economische falen dan door zijn aanzienlijke diplomatieke successen.

De president heeft dat impliciet toegegeven door zich aan de Amerikaanse kiezers te presenteren als een man van de verandering, en niet als een kandidaat die zijn eigen beleid wil voortzetten.

Bush' zichtbare frustratie bij zijn pogingen zijn prestaties uit te leggen en te verdedigen komt neer op een erkenning dat zijn regering aan de grond is gelopen. Er bestaat geen duidelijker definitie van "falend bestuur' dan de mislukking van zijn pogingen krediet te krijgen voor de prestaties van zijn regering, en haar tekortkomingen in perspectief te plaatsen.

Dat betekent niet dat Bush de verkiezingen van november al heeft verloren. Hij heeft waarschijnlijk gelijk als hij zijn adviseurs vertelt dat de campagne pas in september werkelijk begint. Dan zou wel eens kunnen blijken dat het kiezersvolk toch de voorkeur geeft aan het kleinste risico, namelijk de meer bekende en meer ervaren Bush.

Maar voorlopig speelt Bush op gelijk niveau tegen zijn rivalen Bill Clinton en Ross Perot. Hij kan niet eenzelfde soort verkiezingscampagne voeren als Richard Nixon in 1972 en Ronald Reagan in 1984. Bush is gedwongen zich binnen de grenzen van het mogelijke als een geheel "nieuwe' kandidaat te presenteren. Op dit punt lijkt George Bush nog het meest op Jimmy Carter toen die trachtte herkozen te worden, en niet op Nixon of Reagan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de afzonderlijke beslissingen van The Washington Post en The New York Times op 1 juli: beide bladen drukten toen op de voorpagina artikelen af over de incoherente, verbitterde uitlatingen van Bush bij diens recente optreden in het openbaar.

De kop van de Post repte van een “bezorgde” Bush, de Times schilderde een geharnast portret van een president “op het kookpunt”. Beide artikelen deden denken aan de manier waarop de pers in juli 1979 over president Carter schreef, die toen onverwachts naar Camp David vluchtte. Toen werd gesuggereerd dat Carter slechts drie maanden na het Egyptisch-Israelische vredesverdrag onder de spanningen van het presidentschap was bezweken.

Dat akkoord van Camp David is nog altijd de belangrijkste diplomatieke prestatie in de moderne geschiedenis van het Midden-Oosten. Maar het schrompelde in de ogen van de kiezers ineen tot iets onbetekenends toen Carters rivaal Ronald Reagan met zijn "armoede-index' kwam. Op dezelfde manier hebben nu de rellen in Los Angeles en de niet te stuiten stijging van de werkloosheid een enorme schaduw geworpen over de triomfen van Bush in het buitenland.

Vorige week konden burgers die uit een rij bezoekers aan het Witte Huis waren gehaald om Bush tijdens een CBS-uitzending te ondervragen, hun bezorgdheid die het resultaat was van de jaren Bush-Quayle niet onderdrukken. Zij vroegen telkens weer hetzelfde: hoe zal het met mijn baan gaan, wat gebeurt er met de sociale voorzieningen? De kijkers konden zien hoe de president steeds gefrustreerder raakte toen zijn pogingen deze kiezers-van-straks gerust te stellen mislukte.

Tegen die achtergrond was de stijging van de werkloosheid tot 7,8 procent van de beroepsbevolking een vernietigende slag voor de strategie van Bush, die erop was gericht deze zomer vooral geen aandacht te trekken. Het nieuws dwong de president zijn bezorgdheid over de werklozen te dramatiseren, en dat had tot gevolg dat de statistisch geringe toename er groter uit kwam te zien dan zij in werkelijkheid was.

Datzelfde gold voor de trage reactie van de Federal Reserve. In plaats van de algemene reacties op elke nieuwe ronde van slechte economische prestaties voor te zijn met renteverlagingen, heeft de Fed in de periode Bush-Quayle die algemene reactie laten volgen door renteverlagingen, die doorgaans neerkwamen op te weinig en te laat. Door het disconto-percentage te verlagen op de dag dat de stijging van de werkloosheid tot 7,8 procent werd bekendgemaakt, bevestigde de Fed in de ogen van het grote publiek dat een stijging van de werkloosheid met 0,3 procent een ernstige ontwikkeling voor de economie en voor Bush was. Dat hoeft helemaal niet waar te zijn; maar de regering heeft zelfs niet geprobeerd die indruk weg te nemen.

Bush en zijn vice-president hebben in plaats daarvan hun toevlucht gezocht tot een beproefd middel: ze hebben geprobeerd de aandacht van de kiezer te verleggen naar valse keuzen en valse thema's. Zo heeft de president “idiote praatprogramma's en idiote groepen die je elke zondag vertellen wat je moet denken” verantwoordelijk gesteld voor de zure stemming.

Maar het zijn de niet overtuigende reacties van Bush en Quayle op het probleem van de werkloosheid, de rellen in Los Angeles en de andere zorgen van Amerika die in de gedachtengang van veel kiezers hun prestaties volledig teniet hebben gedaan. Bush komt uit tegen een zwak stel uitdagers. Hij komt ook uit tegen een zwakke economie. Als hij wordt herkozen, gebeurt dat ondanks, en niet dan zij, de regering die nu op haar laatste benen loopt.

© The Washington Post/ NRC Handelsblad.