Beperkte, gecontroleerde walvisvaart

Er is kans dat het verbod op walvisvangst met ingang van volgend jaar wordt opgeheven. Om de weg te openen naar wetenschappelijk verantwoorde vangstquota, die het voortbestaan van zowel de walvis als de walvisvaart moeten garanderen.

Walvissen behoren tot de meest bedreigde diersoorten ter wereld. En toch zijn er mensen die er op willen jagen. Het moet velen vreemd in de oren hebben geklonken toen vorige week de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) een beslissing nam die de weg vrij lijkt te maken om de commerciële walvisvaart op korte termijn weer op te pakken. Het besluit is echter beter te beschouwen als de bescherming van veel walvissen, maar net niet allemaal. Na veel soebatten op zijn jaarvergadering in Glasgow heeft de IWC een stap naar een beheersysteem gezet, dat voldoende garanties moet bieden tegen te veel jacht. De wetenschappelijke fundering van het nieuwe systeem is nu afgerond.

Vangstlimieten kunnen nu worden uitgerekend. Om het systeem helemaal waterdicht te maken, moeten de lidstaten van de IWC nog wel sluitende afspraken maken over inspectievoorwaarden en standaardisering van gegevens. Daarna zouden zij het huidige verbod op de commerciële walvisvaart kunnen vervangen door een nieuw, zeer vooruitstrevend beheersysteem. In 1993 kan het zover zijn. Een voorbeeld van natuurbescherming nieuwe stijl: De kans op te veel jacht is gering, maar soms zijn vangsten toch mogelijk.

Moratorium

Deze eeuw heeft een enorme walvisvaart gekend, toen de commercie eenmaal greep had op de jacht. Rond Antarctica zijn meer dan een miljoen blauwe en gewone vinvissen verwerkt tot olie en biefstukken. De populaties van alle grote walvissoorten daar zijn gedecimeerd tot zeer kleine aantallen. Alleen de dwergvinvis, die zijn naam met negen meter lengte niet echt eer aan doet, is dit lot bespaard gebleven. Pas twintig jaar geleden, toen de rest "op' was, kreeg men interesse in de dwergvinvis, juist in de tijd dat de gemeenschap eindelijk serieus bereid bleek walvissen te beschermen. De walvis werd een boegbeeld voor de broodnodige bescherming van de natuur tegen de ongebreidelde exploitatie door mensen. Dit mondde in 1986 uit in het algemene moratorium voor de commerciële walvisvaart. Niet alle landen konden direct akkoord gaan met die beslissing, het duurde nog drie jaar voordat er, voor het eerst na anderhalve eeuw, geen walvis meer voor geld werd geschoten.

Hoewel de meeste landen in de IWC, waaronder Nederland, walvisvaart eigenlijk het liefst zouden willen uitbannen, zitten zij met het dilemma dat het doel van de conventie is: de bescherming van walvissen om zodoende walvisvaart mogelijk te maken. In Japan, IJsland en Noorwegen wil men blijven jagen op walvissen. Walvisvaart is nog altijd een bijzonder lucratief bedrijf, het vlees van een enkele dwergvinvis brengt in Japan zo'n honderdduizend gulden op.

Intussen bleef de industrie druk uitoefenen. Beschermingsgezinde landen in de IWC werden beschuldigd van een emotionele houding, die niets met de walvisstand te maken heeft. Een dergelijke beschuldiging is onterecht. Natuurlijk bestaat er een verschil in standpunt tussen landen die walvissen willen beschermen en landen die ze willen vangen. Maar emotie is aan beide zijden aanwezig. De grote druk in IJsland, Noorwegen en Japan is eveneens gebaseerd op emoties, die van traditie en behoud van inkomsten en werk.

Een rechtvaardiger argument leek dat er genoeg walvissen zouden zijn om jacht toe te staan. De Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) zegde daarom toe om vanaf 1986 een algehele evaluatie te maken van de effecten van het moratorium op de walvispopulaties. Het wetenschappelijk comité van de IWC moest daarmee aan de slag.

We weten nog weinig

Het wetenschappelijk comité erkende meteen dat die evaluatie onmogelijk is. Voor de effecten van het moratorium was het noodzakelijk om behalve de huidige omstandigheden ook de toestand van walvispopulaties vóór het moratorium te weten. Er zijn biologen die al jaren beweren dat de dwergvinvissen rond Antarctica in aantal toenemen en zelfs dat zij de plek van de blauwe en gewone vinvis zouden overnemen. Daarom zouden dwergvinvissen juist moeten worden afgeschoten, opdat de blauwe en de gewone vinvis zich weer zouden gaan herstellen. Deze redenering berust echter op een aantal hardnekkige misverstanden, want een trend in de populaties is nooit overtuigend aangetoond. Er is geen enkele aanwijzing dat walvispopulaties herstellen van het moratorium.

Het wetenschappelijk comité kwam in 1987 tot de conclusie dat het bestaande beheersysteem niet deugde. De basis voor het uitrekenen van vangstlimieten was bijzonder mager. Quota werden vastgesteld voor willekeurig omlijnde gebieden in de oceanen, die niets uitstaande hebben met biologische populaties, maar des te meer met aktiviteiten van walvisvaarders. De kwaliteit van tellingen en analyses liet veel te wensen over. Het nut van "Catch Per Unit Effect' (het aantal vangsten per eenheid van arbeid), theoretisch een maat voor de verandering in de populatiegrootte, werd naar het rijk der fabelen verwezen, omdat er te veel haken en ogen aan zitten. Doorslaggevend voor de quota was tot dan toe de groeisnelheid van een populatie, en daarvan wisten we helemaal bar weinig.

Wat we wel weten zijn de aantallen dieren die zijn geschoten in de afgelopen eeuw: in het zuidpoolgebied alleen al meer dan 800.000 gewone vinvissen en 350.000 blauwe vinvissen. Ook de noordse vinvis, de bultrug en de zuidkaper zijn daar bijna uitgeroeid. Wat we nog meer kunnen schatten is hoeveel er nu nog zijn. In de jaren tachtig zijn door de IWC systematische tellingen rond Antarctica uitgevoerd, die door recente geavanceerde analysetechnieken tot schattingen hebben geleid. Men zag in dertien opeenvolgende jaren slechts 37 blauwe vinvissen, 47 gewone vinvissen en 14 noordse vinvissen. Alleen de dwergvinvis, waar pas vanaf de jaren zeventig op werd geschoten, leeft nog in grote dichtheden. De officiële schatting is dat er circa 760.000 dwergvinvissen rond Antarctica leven.

De blauwe vinvis, het grootste dier dat ooit heeft geleefd, is inmiddels al bijna dertig jaar beschermd, maar een herstel van de populatie zal pas na veel langere tijd merkbaar worden. Walvissen zijn immers, net als wijzelf, zogeheten langzaam levende dieren: het duurt zes tot vijftien jaar voordat een walvis volwassen is, maximaal eens in de twee tot vier jaar krijgt een vrouwtje een jong. Zo schiet het natuurlijk niet op. Juist het feit dat herstel zo langzaam gaat, maakt het ook moeilijk zichtbaar voor ons.

Het lijkt er op dat het met de zuidkaper en de bultrug, die al vijftig jaar bescherming genieten, eindelijk beter gaat. In hun broedgebieden bij Argentinië en Australië worden de dichtheden steeds groter. Maar de groeisnelheid van die aantallen is jammer genoeg niet een eenvoudige maat voor de toename van de totale populatie. Al met al waren er genoeg redenen voor een geheel nieuwe aanpak van het beheer van de walvisvaart.

Nieuw beheersysteem

Er werd een testplan ontwikkeld, dat moest leiden tot een nieuw beheersysteem. De IWC formuleerde twee doelstellingen: risico's voor uitroeiing van populaties moeten vrijwel uitgesloten worden en er moet toch een zo hoog mogelijk en constant vangstniveau zijn, ook op de lange termijn. De twee doelstellingen zijn tegenstrijdig, want hoe meer je vangt, des te groter wordt het risico voor overbejaging. Dus is een afweging noodzakelijk.

De walvispopulaties werden nagebootst in de computer met een wiskundig model. Dat moest ons tonen hoe voorzichtig we moeten zijn met walvisvaart. Een eenvoudige rekenmethode, die veel toegepast wordt in de populatiedynamica, vormt de basis voor het uitrekenen van vangstlimieten.

Het is bovendien een systeem op basis van het voorzorgprincipe: Zonder informatie geen jacht. Er moeten minstens elke zes jaar walvissen geteld worden. Gebeurt dit niet, dan worden de vangsten sowieso teruggeschroefd naar nul. Als we daarentegen in de loop der jaren steeds meer te weten komen door de reeks tellingen, zouden meer vangsten eventueel mogelijk worden.

Druk op de knop

De IWC heeft vorige week een beslissende stap gezet, niet zo zeer naar hervatting van de commerciële walvisvaart alswel naar een degelijke beveiliging tegen te veel jacht in de toekomst. Het is nu nog een kwestie van een aantal belangrijke puntjes op de i zetten om een nieuw systeem voor de walvisvaart af te ronden. Er moeten nu nog afspraken komen voor inspectie en standaardisering van gegevens. En vooral moet het nieuwe systeem straks wettelijk aan de Conventie worden verankerd, voordat op de knop van de computer wordt gedrukt. Er is besloten dat dit essentieel is om een goede uitvoering van het nieuwe beheersysteem te garanderen. Hoeveel jaren dat nog in beslag gaat nemen is nog niet duidelijk, maar het ziet er naar uit dat op korte termijn de knop inderdaad zal worden ingedrukt. En dan zou er weer commerciële walvisvaart op dwergvinvissen rond Antarctica en in de Noord-Atlantische Oceaan kunnen komen. Wie dat in de jaren tachtig had voorspeld werd hartelijk uitgelachen.

Vrijwel niemand weet wat voor vangstlimieten er voor dwergvinvissen uit zullen rollen, als de IWC daarvoor het teken geeft. Zeker rond Antarctica zouden ze wel eens de moeite waard kunnen zijn voor een commerciële jacht op dwergvinvissen. Voor andere walvissoorten zal nog lang geen sprake kunnen zijn van commerciële jacht, het zal nog vele jaren vergen eer zij de aanslag door de mens in deze eeuw te boven zijn gekomen. Veel walvissoorten moeten dan ook zeker met alle mogelijke middelen beschermd worden. Met het aanstaande beheersysteem van de IWC zou de dwergvinvis als enige baleinwalvis in beperkte aantallen kunnen worden gejaagd rond Antarctica en de Noord-Atlantische Oceaan.

Reservaat rond Antarctica

Er ligt intussen een voorstel op tafel van Frankrijk om de wateren rond Antarctica een reservaat te maken voor alle walvissen. Dit zou een aanvulling moeten zijn op het toekomstige beheersysteem van de IWC, om zodoende in elk geval één oceaan te vrijwaren van elke vorm van commerciële jacht op walvissen. Een soort garantie voor het geval het beheersysteem het helemaal bij het verkeerde eind heeft.

Reservaten zijn ook op het land gemeengoed en dienen als extra veiligheid om diersoorten te beschermen tegen menselijke aktiviteiten. Veel landen hebben zich achter het Franse idee geschaard, maar het vergt nog veel discussies en uitwerking. Japan heeft scherp geprotesteerd, het zou een wetenschappelijk ongefundeerd plan zijn om de Japanse commerciële jacht in Antarctische wateren tegen te houden. Frankrijk neemt deze zaak echter hoog op en heeft nog een aantal ijzers in het vuur voor zijn standpunt. Aldus zijn er nog voldoende redenen voor de IWC om de messen geslepen te houden.

Kort en bondig samengevat: Vrijwel alle walvissen moeten nog steeds beschermd worden. Binnenkort kan er wellicht op dwergvinvissen worden gejaagd, zonder dat het risico voor uitsterven substantieel toeneemt. Als er teveel gejaagd wordt, zal het nieuwe systeem tijdig ingrijpen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zouden walvispopulaties onverhoopt kunnen worden uitgedund. In de IWC spreekt men daarom van een systeem dat waarschijnlijk net aan veilig is.

Het vangstlimiet algoritme

Het nieuwe beheersysteem wordt de "Revised Management Procedure' (RMP) genoemd.

Noorwegen heeft al geschamperd over de Revised Manipulation Procedure, terwijl enkele natuurbeschermers voor de afkorting het Revised Massacre Plan bedacht hebben. Voor de Revised Management Procedure is deze week in Glasgow een rekenmethode aanvaard, waarmee de vangstlimieten kunnen worden gecalculeerd. Deze methode heet het vangstlimiet algoritme.

Het vangstlimiet algoritme veronderstelt dat onder natuurlijke omstandigheden elke populatie een maximum natuurlijk niveau, de carrying capacity, kan bereiken. Een walvispopulatie waar veel op gejaagd is, zal zich kunnen herstellen tot dat niveau, als de walvisvaart eenmaal is opgehouden. Het is mogelijk om met de minimale kennis die we van walvissen hebben toch een behoorlijk veilig systeem te bouwen. Maar dat betekent wel dat de adviezen van biologen met veldkennis tot in den treure getest moeten worden op allerlei mogelijke fouten. Aldus ontstaat een uitwisseling tussen biologen en wiskundigen van hun kennis over respectievelijk walvissen en modellen.

Een stochastisch produktiemodel simuleert de jacht op walvissen in een computer. Het algoritme is een niet-lineaire vergelijking, met dichtheidsafhankelijkheid in de groeiterm van een populatie. Er wordt gesimuleerd over honderd jaar. Het model maakt in de loop der jaren gebruik van nieuwe gegevens om zijn benadering aan te passen.

De aarde wordt ingedeeld in drie oceaangebieden, de Noord-Atlantische Oceaan, de noordelijke Stille Oceaan en het gehele zuidelijk halfrond. De evenaar wordt (overigens enigszins arbitrair) als scheidslijn aanvaard. Binnen elk oceaangebied kunnen één of misschien wel veel populaties van een soort voorkomen. Er is een beperkt aantal gegevens nodig: een recente schatting van de populatiegroottes in een oceaan gekoppeld met een variantie-covariantie matrix en de historische vangsten in het gebied. Aan het begin van elke simulatie wordt hiermee geschat wat de oorspronkelijke populatie geweest kan zijn.

Een kleine populatie, waar vroeger veel op gejaagd is, zal waarschijnlijk sterk gedecimeerd zijn. Daarentegen is een hele grote populatie, die bovendien zelden het doelwit is geweest van walvisvaart, waarschijnlijk dicht bij zijn oorspronkelijke niveau, de carrying capacity.

Maximaal elke zes jaar moet een nieuwe telling worden gedaan, waardoor meer informatie wordt verkregen over de absolute grootte van de populaties en een eventuele toe- of afname. Indien een telling in de hele oceaan uitblijft, treedt automatisch een regeling in werking waarbij de vangsten in enkele jaren naar nul worden teruggebracht. Wanneer er geen schatting in een bepaald deelgebied bestaat, wordt deze verondersteld nul te zijn.

Miljarden computersimulaties werden uitgevoerd om het model te testen. Er werd bijvoorbeeld aangenomen dat we de populatiegrootte sterk overschat hadden, of dat de carrying capacity in de loop der jaren wijzigt. Het systeem moet ook voldoen wanneer de migratiepatronen heel anders zijn, of wanneer er rampen plaatsvinden waardoor de populatie plots wordt gehalveerd. Telkens wanneer in een test niet aan de eisen van de Commmissie werd voldaan, werd het systeem verder aangepast. De testen werden in twee stappen uitgevoerd. Eerst werd een model voor een enkele populatie gebouwd. Dit model, ontwikkeld door de briljante Engelse wiskundige Dr. J.G. Cooke, vertegenwoordiger van de IUCN (ook bekend als de World Conservation Union) is in 1991 door de Internationale Walvisvaart Commissie aanvaard. Dit jaar in Glasgow moest de hoogste horde in het model nog worden genomen, de uitbreiding naar meerdere populaties.

De meeste walvissen migreren van (sub)tropische naar polaire wateren, maar het is onbekend hoe de biologische populaties verspreid zijn over de oceanen. Het model beschrijft voor elke soort een complex van populaties, waartussen uitwisseling kan plaatsvinden. Een uiterst belangrijke consequentie van deze testen is dat vangstlimieten voor relatief kleine gebieden moeten worden vastgesteld, anders lopen populaties een te groot risico op overbejaging. Voor een industrie is dit onaantrekkelijk. Het liefst wordt gejaagd in een klein gebied met grote dichtheden, zodat de kosten worden gedrukt.

Het model wordt toegepast voor een complex van populaties van een enkele soort in een hele oceaan. Er zijn twee manieren om vangstlimieten uit te rekenen. In het ene geval worden de vangstlimieten voor kleine gebieden uitgerekend, en tegelijkertijd over de hele oceaan. Dit wordt catch-capping genoemd. In het andere geval wordt een vangstlimiet uitgerekend voor een combinatie van kleine gebieden en vervolgens naar rato verdeeld over de kleine gebieden. De laatste manier levert vrijwel altijd hogere vangsten op en een langzamer herstel van de walvispopulatie. De keuze tussen deze twee mogelijkheden ligt nog in handen van de IWC.

De rekenmethode was na al deze testen bijna af. Er restte alleen nog een ronde met realistische testen. In andere woorden, werkt het model als we bestaande, betrouwbare tellingen met hun varianties gebruiken voor een echte oceaan, met echte vangstgegevens uit het verleden, en zo goed mogelijke schattingen van de uitwisseling tussen populaties? We kunnen nooit het risico op uitroeiing helemaal uitsluiten en een experiment is onmogelijk. Maar in het nieuwe systeem wordt de kans wel erg klein gemaakt. De laatste testseries zijn deze maand door het wetenschappelijk comité gedaan voor de dwergvinvissen rond Antarctica en de Noord-Atlantische Oceaan, de populaties waar de meeste belangstelling voor is om weer op te gaan jagen. Daarmee is het wetenschappelijke werk voor deze populaties min of meer afgerond.

De tellingen, nodig voor het vangstlimiet algoritme moeten aan minimumstandaarden voldoen. De analyses worden uitgevoerd door het wetenschappelijk comité van de IWC volgens overeengekomen technieken. Er wordt uitgegaan van walvisvaart op de fourageergronden rond Antarctica of in noordelijke wateren. Als een land op het idee zou komen om in (sub)tropische zeeën te willen jagen, moet het systeem verder worden ontwikkeld. Waarschijnlijk zal een land van te voren moeten aankondigen welke plannen ze hebben om het systeem zo goed mogelijk te laten werken. Dit geeft al aan dat een industrie in alle openheid te werk zal moeten gaan.