BELAÏD ABDESSELAM; Symbool van stalinistisch Algerije

Tien dagen na de moord op het Algerijnse staatshoofd Mohamed Boudiaf is uit eigener beweging premier Sid Ahmed Ghozali vertrokken. De twee mannen hadden gemeen dat ze relatief liberaal waren en alleen in drastische hervormingen in de richting van een vrije-markteconomie een oplossing voor Algerijes grote problemen zagen. Hun opvolgers hebben ook iets gemeen: zowel het nieuwe staatshoofd Ali Kafi als de aangewezen premier Belaïd Abdesselam is een vertegenwoordiger van het stalinistische verleden.

Abdesselam (64) is zelfs een symbool van dat verleden. Hij geldt als de vader van de Algerijnse industrialisering in de jaren zestig/zeventig. “Algerije moet olie zaaien om industrie te oogsten”, was zijn leus. Maar die industrialisering is ten koste gegaan van de Algerijnse voedselvoorziening en heeft uiteindelijk een ernstig verliesgevende, gebureaucratiseerde, improduktieve zware industrie voortgebracht plus een deviezen verslindende voedselimport. Abdesselams industrialisering heeft kortom de Algerijnse economie de das omgedaan.

Ghozali, maar ook zijn onmiddellijke voorgangers, wilden redden wat er te redden viel door de zware industrie te saneren en een economische liberalisering door te voeren in samenspraak met het Internationaal Monetair Fonds. Er is weinig van terechtgekomen, want deze economische voorwaarde om te overleven kwam tevens op politieke zelfmoord neer. Sanering betekent in eerste instantie fabriekssluitingen en werklozen: werkende aanhangers van het regime worden zo veranderd in werkloze steunpilaren van de moslim-fundamentalistische tegenpartij.

Ook leidende functionarissen, vaak in een prettige functie terechtgekomen als beloning voor partij-trouw eerder dan wegens hun capaciteiten, voelden zich in hun positie bedreigd. Het is duidelijk uit Ghozali's ontslagbrief dat dezen zich met alle middelen verzetten tegen zijn hervormingspogingen. “Ik heb getracht slag te leveren tegen de gevaarlijke en destructieve krachten van het kwaad die de regering, de economie, de media en de politiek in hun verraderlijke greep hebben”, schreef hij. Hij hoopte nu op de totstandkoming van “een sterke regering, die in staat is de krachten van het kwaad uit te schakelen die voortdurend werken aan de destabilisatie van de staat” om de status-quo te verdedigen. En dan heeft hij het niet over de fundamentalisten.

Is Abdesselam de man die die strijd kan winnen? Misschien in zoverre dat hij bepaald autoritaire trekken heeft en bovendien capaciteiten belangrijker vindt dan partij- of familiebanden, zoals hij heeft getoond in zijn voorgaande bloeiperiode, als almachtige en daadkrachtige minister van industrie en energie van 1965 tot 1977 onder president Houari Boumédienne. Hij was de man van een strak geleide socialistische economie; hij nationaliseerde de buitenlandse oliebelangen ondanks fel verzet van de buitenwereld - diezelfde olie-industrie die vorig najaar juist door Ghozali voor buitenlandse investering werd opengesteld. Hij viel in ongenade na het aantreden van president Chadli Benjedid, die zijn aanpak te autoritair vond.

Dat geldt dan de strijd tegen de vastgeroeste en vaak corrupte kaders, door Abdesselam wel beschreven als “een bende die alles gebruikt om aan de macht te blijven”. Maar aan de andere kant: wat zullen de buitenlandse investeerders, die Algerije zo hard nodig heeft, denken van de terugkeer van de man die mede het gezicht heeft bepaald van Algerijes stalinistische verleden? En wat betekent zijn terugkeer voor de bevolking? Abdesselam was natuurlijk ook een kind van zijn tijd, maar hij heeft de laatste jaren weer van zich doen spreken door scherpe kritiek op de “rampzalige” ideeën van de hervormingsgezinde regeringen van Mouloud Hamrouche en Ghozali (die overigens onder Boumédienne de door Abdesselam gecreëerde nationale oliemaatschappij leidde en als zodanig nauw samenwerkte met zijn huidige opvolger).

Abdesselam heeft herhaaldelijk gepleit voor een “oorlogseconomie”. Zijn komst voorspelt dan ook bezuinigingen en import- en consumptiebeperkingen. Naar het zich laat aanzien vergezeld van een bevriezing van de economische liberalisering. Zelf heeft Abdesselam gewezen op de noodzaak van “continuïteit met het verleden”. Of, zoals het collectieve presidentschap gisteren aankondigde, “een wedergeboorte van de traditionele gezonde politiek”.