Topambtenaar L.J. Brinkhorst: Op dit punt is de G-7 top in München een succes; EG coördineert beveiliging kerncentrales in GOS

MUNCHEN, 8 JULI. Directeur-generaal bij de Europese Commissie Laurens Jan Brinkhorst, belast met milieu en nucleaire veiligheid, is tevreden met de afspraken die door de G-7 zijn gemaakt over de hulp voor Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie bij de beveiliging van gevaarlijke kerncentrales. “Op dit punt is de top in München een succes”, meent hij. “In januari tijdens de speciale hulpconferentie voor het GOS in Washington weigerde de VS een coördinerende rol van de EG te accepteren. Nu zijn ze akkoord.”

Brinkhorst is de coördinator van de Westerse hulpinspanning op het gebied van nucleaire veiligheid aan de Oosteuropese landen. Deze steun loopt via de G-24: de 24 landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) die hulp geven aan de Oosteuropese landen onder leiding van de EG. De coördinerende rol van de EG wordt, althans voor wat betreft de nucleaire veiligheid, nu dus uitgebreid tot het GOS. Washington beschouwde dit volgens Brinkhorst als "eigen gebied', waar een hoofdrol van Europa bij de hulpverlening niet paste. “Het heeft een politieke betekenis dat de EG nu de leidende rol krijgt toebedeeld.” Met het besluit van de G-7 moeten versnippering en doublures van de "nucleaire' bijstand worden voorkomen.

Over de wijze van hulpverlening mag men het in München dan eens zijn geworden, de noodzakelijke fondsen zijn er nog niet. De komende drie tot vijf jaar is volgens een ambtelijke werkgroep van de G-7 landen zeker 700 miljoen dollar nodig voor een noodprogramma om de ergste gevallen aan te pakken. Daaronder vallen de kerncentrales van het "Tsjernobyl-type' (RBMK). De EG maakt volgens Brinkhorst zo'n 400 miljoen dollar vrij voor het programma. De andere landen blijven daar ver bij achter. Washington heeft tot nu slechts 25 miljoen dollar uitgetrokken en bovendien nog geen enkel project aangewezen. “De andere landen zeggen het niet hardop, maar ze vinden de onveiligheid van die kerncentrales vooral een probleem van West-Europa. Want daar kwam de radio-actieve neerslag van Tsjernobyl naar beneden.”

Er komt ook een multilateraal fonds, maar dat zal, zo verwacht Brinkhorst, “bescheiden” van omvang blijven. “Het is een appèl aan de internationale gemeenschap om mee te doen want het gaat om een probleem van ons allemaal.” Het fonds wordt door de G-24 gecoördineerd, terwijl de in Londen gevestigde Oost-Europa bank (EBRD) als doorgeefluik fungeert. Brinkhorst ziet het multilaterale fonds ook als “politieke dekking” voor uitgaven, waarbij bilaterale financiering moeilijk ligt. Zo zal Duitsland, dat het dichtst bij de gevaarlijke centrales ligt, er weinig voor voelen RBMK-centrales open te houden. Want ook na een oplapbeurt zullen ze niet aan westerse standaarden voldoen. “Als Duitsland niet wil meebetalen om die kerncentrales in bedrijf te houden, kunnen hiervoor middelen uit het multilaterale fonds worden geput.”

Ook Brinkhorst erkent dat sommige gevaarlijke kerncentrales op technische gronden dicht zouden moeten. Maar de grote afhankelijkheid van de Oosteuropese landen van kernenergie, waarbij Hongarije met bijna 50 procent koploper is, maakt dat volgens Brinkhorst op dit moment politiek en economisch erg moeilijk. In Rusland wordt weliswaar 12 procent van de elektriciteit door kernreactoren opgewekt, maar op korte termijn ontbreken alternatieven. “Gas en olie zijn belangrijk voor de export. Die inkomsten kunnen niet worden gemist. Bovendien is de overcapaciteit in de energievoorziening voor het opvangen van piekbelastingen slechts 3 procent, bij ons is dat 20 procent. Er ontstaan dus heel snel stroomtekorten.” De EG kan volgens Brinkhorst dan ook weinig meer doen dan “laveren tussen Scylla en Charibdis”.

Sinds 1991 lopen al bilaterale Europese hulpprogramma's, waaraan eind dit jaar bijna 350 miljoen gulden zal zijn uitgegeven. Het gaat onder meer om noodmaatregelen voor de Kozlodoei-centrale (type VVER) in Bulgarije.

Bij het noodprogramma van de G-7 gaat het volgens Brinkhorst om drie zaken: versterking van het management van de kerncentrales, beperkte technische aanpassingen aan apparatuur en verbetering van het toezicht. “Waar wij in het Westen een onafhankelijk toezichthoudend orgaan kennen, zijn daar toezicht en directie van een kerncentrale nog vaak in één hand. Een overblijfsel uit het communistische tijdperk.”

Brinkhorst ziet voor het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) in Wenen een belangrijke nieuwe rol. Nog deze week overlegt hij met de directeur van het IAEA. “Met de kennis die daar aanwezig is zou het IAEA technische adviezen aan de G-24 moeten uitbrengen en moeten analyseren waar de prioriteiten liggen.” De Europese topambtenaar meent ook dat de EG als lid tot het IAEA zou moeten toetreden. “Het Weense Atoombureau steunde altijd op twee pilaren, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Het eerste land is uit elkaar gevallen en het tweede land heeft door de eigen economische problemen nauwelijks nog geld beschikbaar.”

Het is in de visie van de EG van groot belang dat tegelijk met de uitvoering van het noodprogramma de enorme energieverspilling (lekkende olie- en gasleidingen in de GOS-landen) wordt aangepakt. Dat zou de eventuele sluiting van de gevaarlijkste centrales (RBMK en VVER) over een paar jaar in elk geval kunnen vergemakkelijken. Ook de koppeling van hoogspanningsnetten tussen West en Oost is in dit verband van belang.

Op de langere termijn is een veelvoud nodig van de 700 miljoen dollar, die voor het noodprogramma op tafel moet komen. Dan gaat het om miljarden-investeringen voor de volledige modernisering van oude en de bouw van nieuwe kerncentrales. Dat zal aan de orde komen als de economie in Oost-Europa en het GOS zich echt herstelt. Met die investeringen zijn grote commerciële belangen van Westerse nucleaire industrieën gemoeid. En dat verklaart meteen dat de meeste landen, ook EG-lidstaten, een voorkeur hebben voor bilaterale hulpverlening. De nationale industrie kan dan gemakkelijker meeprofiteren van lucratieve orders. “De landen gooien een spiering uit door noodhulp te geven om later een kabeljauw te vangen,” erkent Brinkhorst.

Firma's als Framatome (Frankrijk), Siemens (Duitsland) en Westinghouse (VS) hebben op de eigen markt nauwelijks perspectief, ook al omdat de bouw van kerncentrales door maatschappelijke weerstanden is stilgevallen. De EG zelf speelde er vorige maand tijdens de Europese top in Lissabon met een bijzondere stap overigens op in door het investeringsfonds van Euratom ter waarde van 1,5 miljard gulden ook voor gebieden buiten de Gemeenschap ter beschikking te stellen.

Brinkhorst hoopt dat de Verenigde Staten en Japan op korte termijn met meer geld over de brug komen om de nucleaire veiligheid tot een wereldwijde inspanning te maken. De Amerikanen zouden volgens hen ook hun eigen belang beter moeten begrijpen. “Als er nog eens zo'n ongeluk gebeurt als destijds in Tsjernobyl, zal de publieke opinie nieuwe kerncentrales nooit accepteren. Dat geldt ook voor de Verenigde Staten, waar sinds het ongeluk op Three Miles Island (Harrisburg) in 1979 geen nieuw kerncentrale meer is gebouwd.” Voor de EG-landen geldt hetzelfde argument, zo beaamt Brinkhorst.