Referendum als aanvulling van ons parlementaire stelsel

Dankzij het Deense en het Ierse referendum over het Verdrag van Maastricht wordt het referendum, dat in ons land op grote weerstanden stuitte, ineens serieuzer genomen als instrument van directe volksinvloed. Onder auspiciën van Groen Links heeft zich nu zelfs een groep gevormd die de Tweede Kamer oproept tot een raadplegend referendum over hetVerdrag van Maastricht.

Zo'n oproep tot het houden van consultatieve referenda is begin jaren tachtig al gedaan door het Actiecomité Referendum Ja, in de vorm van petities aan gemeenteraden en aan de Tweede en de Eerste Kamer. De petitie, gericht aan de Rotterdamse gemeenteraad had aanvankelijk succes doordat die raad in 1982 besloot tot een beperkte toepassing van het referendum. Dit besluit werd echter niet uitgevoerd.

Naar aanleiding van de petitie, gericht aan de Tweede Kamer, heeft die Kamer de regering in een motie verzocht een staatscommissie in te stellen om invoering van het referendum te onderzoeken. Daaruit is de commissie-Biesheuvel voortgekomen die een positief advies uitbracht en pleitte voor invoering van een facultatief beslissend referendum. Zoals bekend is dit advies in de Tweede Kamer weinig serieus genomen.

Onder de ondertekenaars van de door Groen Links geëntameerde oproep bevinden zich veel lieden van links. Dat is opmerkelijk omdat links lange tijd weinig belangstelling voor het referendum heeft getoond. In de radicale democratiseringsbeweging van de jaren zestig speelde het nauwelijks een rol. D66 heeft het toen wel aanvaard, maar zich niet echt ingezet voor invoering ervan. Aan de linkerzijde vreesde men vooral de conservatieve werking van het referendum en op die grond is het dan ook door het kabinet-Den Uyl afgewezen in zijn nota over grondwetsherziening: “De kiezers zijn trager dan de partijen, de partijleden trager dan het kader. Een progessieve regering die een progressief program wil uitvoeren, kan daarom op verschillende punten in conflict komen met delen van de eigen kiezers.” Aldus Den Uyl, die daarmee vanuit een typische regentenmentaliteit te kennen gaf de kiezers en ook de eigen achterban niet te vertrouwen.

Achtergrond van het verzet tegen het referendum was en is nog steeds de oude vaderlandse regententraditie, die in de jaren zestig wel sterk is aangevallen, maar nog onverminderd voortleeft in politieke en bestuurselites. Krachtens die traditie is democratie per definitie identiek met representatieve democratie en is daarmee derhalve het democratische eindstadium bereikt, hoewel daarin toch slechts sprake is van een zeer beperkte volksinvloed.

Al jarenlang wordt de mondigheid van de kiezers verkondigd evenals de volwassenheid onzer democratie, maar als men die democratische retoriek invult met een bescheiden invoering van het referendum als aanvulling van en correctie op ons parlementaire stelsel, deinst men terug voor die logische consequentie van de eigen democratische geloofsbelijdenis. Dan blijkt men toch niet zoveel vertrouwen te hebben in die mondige kiezer en beweert men zelfs dat een referendum onverenigbaar is met een parlementair stelsel. Terwijl elders ettelijke parlementaire democratieën allang die onverenigbaarheid gelogenstraft hebben.

Veel ondertekenaars van de oproep voor een raadplegend referendum over het verdrag van Maastricht koesteren grote bezwaren tegen dit verdrag en hopen dat een meerderheid van de kiezers zich tegen goedkeuring ervan zal uitspreken. Dat is merkwaardig omdat men in dit geval speculeert op de conservatieve werking van het referendum die voor het kabinet-Den Uyl en zijn aanhang indertijd juist de reden was het referendum af te wijzen.

De oproep maakt overigens weinig kans omdat een meerderheid in de Tweede Kamer zich al heeft uitgesproken tegen een motie van Groen Links om zo'n referendum te houden. Niettemin is het verheugdend dat het referendum dankzij "Maastricht' opnieuw in discussie komt.

De Leidse politicoloog J.Th.J. van den Berg voorziet in een beschouwing over staatkundige vernieuwing anno 1992 (in Namens, mei 1992) binnen korte tijd een verdere democratisering van ons staatsbestel door de introductie van de gekozen burgemeester en de gekozen commissaris van de koningin en de invoering van het beslissende referendum, in de eerste plaats op lokaal niveau. De commissie-Deetman zal dan wel op haar aanvankelijke weinig positieve standpunt over het referendum moeten terugkomen. Daar is alle reden voor, want op dit punt lopen we in dit land ver achter op de constitutionele ontwikkeling elders in de wereld. Zelfs Zuid-Afrika is ons op dit punt voorgegaan. En daar heeft het kortgeleden gehouden referendum over het hervormingsbeleid van de regering-De Klerk uitgewezen dat het referendum niet per se een conservatieve werking behoeft te hebben. Nu de politieke strijd niet meer wordt beheerst door ideologische tegenstellingen, maar zich steeds meer toespitst op beleidskwesties, is dit reden temeer het referendum als aanvullend middel van politieke participatie in ons staatsbestel op te nemen.