Naëve gedachten

Vroeger in de straat hadden we ook zo'n verstandige goeierd die én vriendje met de rebellen wilde blijven én de tas droeg van de sterkste op wie die rebellen het in hun jeugdige lichtzinnigheid hadden gemunt. Een geboren bemiddelaar aan wiens gezicht je aflas dat hij pas écht gelukkig zou zijn wanneer de rebellenclub en het baasje elkaar in de armen sloten.

Om alle ondeugende streken van het aanstormend volkje lachte hij breed en inpalmend, intussen de tas poetsend.

Aan die verstandige goeierd doet Felix Rottenberg me denken. Nu moeten van hem de kunstenaars weer vriendjes worden met het ministeriële damesbaasje dat over kunstzaken gaat. Felix vindt de verwijdering tussen beiden “ongelukkig” en denkt dat die “wel weer is te overbruggen”. De kunstenaars moeten “er ook eens tegen kunnen” dat iemand hen de oren wast. Nee, meer nog, zó slim zijn de kunstenaars - is Felix niet zelf een halve? - dat ze “als geen ander in staat behoren te zijn om eens met een knipoog onder het theaterlicht door te kijken naar de mechanismen van de bureaucratie en de politiek”. Naar de tas van damesbaasje, dus. Want toen Felix' sterke baasje probeerde de kunstenaars de strot toe te knijpen en uit te wringen bedoelde ze het goed. Ze wilde er eigenlijk het denken van de kunstenaars mee mobiliseren.

Woef, woef.

“Wat dat betreft”, besloot Felix met zijn meest inpalmende stembuiging, “is de recente mobilisatie van het denken niet ongunstig geweest en is het nu weer tijd voor de nuances.”

Kunnen we alsjeblieft weer vriendjes zijn?

Brave Felix. Ik heb er bewondering voor hoe hij tegen de kunstenaars kwispelt zonder één moment van plan te zijn van de zijde van zijn damesbaasje te wijken.

Maar of het, ondanks die verstandige goeierd, ooit weer wordt bijgelegd? Ik vrees van niet. Ik vrees dat mevrouw d'Ancona, hoe smadelijk ook door de Kamer met haar boodschappentas weer op pad gestuurd, haar ware gedaante heeft laten zien.

Wát voor gedaante zou ik niet precies kunnen zeggen. Iets tussen bangerigheid en stoerheid in. Veel opinies, geen mening. Veel schoudervulling, geen ruggegraat. Een ballon die zich verbeeldt koorddanseres te zijn.

Aan het slappe koord waarop haar intelligentie danst hebben we ten minste één uitspraak te danken, waard voor eeuwig bijgezet te worden in het Groot Citatenboek van Kunstzinnige Proefballonnen: “Ik heb er geen behoefte aan de kunst in stand te houden als een botanische tuin, terwijl daaromheen de natuur aan zijn lot wordt overgelaten. De kunst is dan nog wel te bezichtigen maar heeft geen ecologische waarde meer. De elitecultuur mag niet opstijgen buiten de gezichtskring van gewone stervelingen en de massacultuur mag niet afglijden naar puur commercieel vermaak.”

Ain't she sweet?

Ik wil niet wijzen op fossiele termen als "elitecultuur' en "massacultuur'. Opstijgend en afglijdend. Ik wil ook niet informeren naar de ecologische waarde van de kunst. Ik ga er, tenslotte, graag aan voorbij dat het ministeriële damesbaasje in haar metaforische enthousiasme de tegenstellingen tuin-natuur en kunst-natuur een beetje door elkaar lijkt te halen.

Wat me zorgen baart is de vraag: in wat voor tijd leeft de minister? Wat zij een massacultuur noemt die niet mag afglijden is allang de ergerlijkste troep die de mensheid ooit met ogen mocht aanschouwen. Tot dusver ongekende krachten van debilisering op het gebied van communicatie, onderwijs en manipulatie hebben elk antagonisme tussen massa en elite tot een lachertje gemaakt.

Ik stel me, in heel mijn naveteit, een ideale regering voor. Ik stel me een regering voor die probeert het wereldje van hoereerderij met de platheid te verpulveren, of op zijn minst af te remmen. Of liever, ik stel me een regering voor die een dergelijke handelwijze voor vanzelfsprekend zou houden, zonder er poeha over te maken of zichzelf op de borst te slaan. Zoals het nu is, schaamt ze er zich niet eens voor om zelf van dat wereldje onbekommerd deel uit te maken.