Hooi

Een woord, een melodietje, een geur is al genoeg om een gezicht, een persoon, een liefde, een heel verleden op te roepen en zo intens tot leven te brengen dat huidige liefdes, de steden waarin we nu wonen, de staat waarin we verkeren er volledig door worden verdrongen. Keer op keer, op de meest onverwachte momenten, vallen we terug in de tijd om neer te komen - met een smak of een zachte landing - in de jaren waarin we kind en in hoge mate nietsvermoedend waren.

Vandaag, op een zonovergoten terras van 's lands grootste stad, hoorde ik, toen ik wilde betalen, een stem achter mijn rug zeggen: “Waarom zo'n haast, mevrouw, u hoeft toch niet te hooien?” En in een duizelingwekkende val kwam ik, terwijl ik door de hete straten terug naar huis liep, neer in een dorpje van nog geen tweeduizend zielen dat, in afwachting van het voorspelde onweer, alle mankracht voor het binnenhalen van het hooi had ingezet.

Het klaslokaal is bijna leeg. De bovenmeester heeft de boerenkinderen vrijaf gegeven en de anderen moeten tekenen omdat er bij warmte niet uit het hoofd te leren of na te denken valt. Alle hooi van het dorp moet van het land voor de eerste druppel valt. De vrije kinderen zitten bovenop de hooiwagens, en ook de moeders in hun losgeknoopte bloemenjurken gaan mee om het gemaaide gras op oppers te harken of bovenop de wagens met hooivorken aan te pakken van de mannen die zwetend het zwaarste werk doen. In het hele dorp hangt de geur van drogend gras die ook het klaslokaal binnendringt en ons, burgerkinderen, bedwelmt en jaloers maakt: wij moeten tekenen wat voor hén werkelijkheid is; wij zitten tussen muren gevangen, zij zijn vrij.

Bij mij thuis heerst er een koortsachtige drukte. Tot laat in de avond worden de paarden beslagen die de volgende dag de afgeladen wagens naar de boerderijen moeten trekken. Ze voelen het onweer aankomen en zijn schichtiger dan op koele dagen, ze schuimbekken en trappen in de richting van mijn vader. Ik gil naar hem dat hij uit moet kijken, dat mijn grootvader al een open been heeft, dat ik bang ben dat het dier zich losrukt en buiten zinnen ons huis binnenrent en alles - ook mij - vertrapt. Maar hij lacht; met het gewicht van het paard op zijn smalle schouders zegt hij dat een dier het altijd zal afleggen tegen de mens.

Er breekt brand uit, niet één maar wel vijf keer achter elkaar. Want er zijn boeren die te veel haast hebben gemaakt en het gemaaide gras niet goed hebben laten drogen vóór ze het in de hooiberg stouwden om snel terug te gaan voor de volgende vracht. Hooibroei is de vloek van iedere zomer voor iedere boer. Wanneer de sirene gaat, loopt het hele dorp uit. Het werk wordt neergelegd en wij, kinderen, hoeven zelfs niet meer te tekenen want niets is bij een hittegolf angstaanjagender maar ook opwindender dan een brand. De brandweerlieden moeten op hun fietsen of bromfietsen van ver komen en het zijn er nooit veel, zodat de hooiberg en soms ook de belendende boerderij in de as ligt vóór het eerste water door de rubberen slangen stroomt. Dan rouwen niet alleen de boer en de boerin maar alle inwoners van het dorp, een dag, een week, langer niet want niets is zo onverbiddelijk als de natuur: het leven en het werk gaan door.

Wanneer de hooibergen aan het eind van de zomer vol zijn, mogen wij er na schooltijd en op zondagmiddag met de boerenkinderen in spelen zonder dat er gelet wordt op het gevaar: wij worden niet met waarschuwingen maar met vallen en opstaan groot. Je kunt als kind onder of in het opgestapelde hooi stikken, maar dat weet je pas wanneer het een boerderij verderop is gebeurd, en bij een ongelukkige val kan je je jonge nek breken. Ook dat overkomt anderen, ons niet, en door ons vuurtjestoken vat de berg nog net geen vlam. 's Avonds ruimen we, moegespeeld, het veld voor de mannen en vrouwen die zich moegewerkt en volgedronken in het zachte hooi laten vallen en tot diep in de nacht lachen want ook het lachen hoort bij de zomer, net als de broeierige blikken en het kussen en waar dat toe leidt. Dat weten wij, kinderen, maar we weten het ook nog net niet.

Nee, ik hoef me inderdaad niet te haasten vandaag: er wordt niet meer gehooid. En als er toch nog gehooid zou worden in mijn kleine dorp omdat het achterbleef, dan zou ik weer in het halflege klaslokaal zitten om te tekenen wat door anderen zou worden beleefd.