Harmeling niet langer Herman Finkers van peloton

BORDEAUX, 8 JULI. Op z'n witte rennerssokken sjokt Rob Harmeling de veilinghal van Bordeaux binnen. De persconferentie is nog niet begonnen, maar de winnaar van de derde Tour-etappe praat al honderduit over zijn ervaringen in de laatste kilometers van de wedstrijd. Verschrikkelijk nerveus was hij geweest, zijn benen deden verschrikkelijk zeer, maar hij wist dat hij de sprint zou winnen van de kopgroep. “Ik wilde niet weer achteraf dat gevoel hebben dat ik het verkeerd had gedaan. Ik wist nu dat het ging gebeuren.”

Harmeling praat zoals hij fietst: altijd maar gaan. Op weg naar de perszaal blijft hij staan om z'n verhaal af te maken. Tour-functionarissen moeten hem dwingen door te lopen, want de journalisten van de hele wereld wachten op hem. Harmeling vervolgt pratend zijn weg. De 27-jarige Twent neemt geen pauze. Hij geniet, hij wil waardering, hij wil duidelijk maken dat hij meer is dan de Herman Finkers van het profpeloton. Even vond hij het leuk vorig jaar, dat hij de lachers op de hand kreeg door zijn spontane uitspraken met Tukkerse tongval. Maar het stak hem dat hij mede door zijn laatste plaats in het klassement meer werd gezien als een fietsende cabaretier dan als een serieuze beroepswielrenner.

Zeker een jaar heeft dat vertekende beeld hem achtervolgd. Al onmiddellijk na de Tour trok hij ten strijde. Hij wilde bewijzen dat hij echt hard kon fietsen. In elk criterium reed hij in de voorste linie. Hij wilde winnen, maar hij won er maar één. Totdat hij in zijn lichaam een wandelend lijk ontdekte, hij zag dikke adertjes op zijn benen, hij kon geen stukje vel meer tussen duim en wijsvinger krijgen, zat wezenloos voor zich uit te te kijken op de bank in de kamer en keek uiteindelijk in de spiegel in het gezicht van een ander. Zo ver was het nu gekomen.

Vader Wim Harmeling zag gistermiddag thuis in Nijverdal met zijn vrouw op de televisie hoe Rob loon naar vreselijk hard werken kreeg. Ze waren blij geweest, maar niet uitgelaten. “Wij zijn Tukkers, wij zijn nuchter. Als u hem ziet, feliciteer hem dan van mij. Want ik weet niet of ik hem lastig moet vallen vanavond.”

Toen hij hem vrijdag naar België had gebracht, had Rob nog tegen hem gezegd: “Pa, ik hoop dat ik nu eens een rit win.” Het is een jongen met een enorme wil, weet Harmeling sr. “Vorig jaar is hij in het begin van de Tour zwaar gevallen, maar hij bleef ondanks zijn vele verwondingen doorrijden. Toen kreeg hij nog die ontsteking aan zijn bal. Maar hij wilde niet stoppen. Nooit. Hij kwam thuis en ik heb tegen 'm gezegd: "Petje af hoor jong'. Dat heeft-ie nodig. Dat geeft hem vertrouwen. Niet die flauwekul over Herman Finkers. Dat vond hij heel erg.”

Op de criteriums na de Tour werd Rob Harmeling telkens gehuldigd. Niet zozeer omdat hij de Tour had uitgereden, maar omdat hij laatste in het klassement was geworden. Slechts éénmaal liet hij zich met een rode lantaarn rondrijden. Hoe de mensen hem ook toejuichten, het was niet wat hij wilde. Hij werd geselecteerd voor het wereldkampioenschap in Stuttgart. Maar bondscoach Knetemann nam hem niet op in de WK-ploeg. Harmeling valt te veel, vond hij, en hij rijdt te veel “het karretje van een ander in de poep”, symboliseerde Knetemann het gebrekkige tactisch inzicht van de vechtersbaas uit Nijverdal.

Terwijl Harmeling in de veilinghal in Bordeaux le lac de internationale pers biologeert, zit Gerrit de Vries tweehonderd meter verder naast zijn hotel in de rennersbus te sippen met een kopje koffie in zijn hand. Zijn enige gezelschap is buschauffeur Jan Coenraads. Ruim tien kilometer had De Vries op kop van de tienkoppige vluchtersgroep gereden om het tempo hoog te houden. Met twee ploeggenoten, Kokkelkoren en Segers, had hij het karwei succesvol voor zijn team moeten afronden. Maar het drietal faalde. “Het is misschien een nadeel als je met drie man bent. Dan moeten wij het werk doen. En dan gaat het gauw mis”, zoekt De Vries naar een verklaring.

De Vries gunt het Harmeling. Hij was vroeger bij de amateurs zijn maatje. Ze werden in 1986 in Colorado Springs samen met Cordes en Talen wereldkampioen 100 kilometer ploegentijdrit. Hij is net zo'n "rammer' als Harmeling, maar ook hij wint zelden. Bij de amateurs trok De Vries vaak de sprint aan voor Harmeling. “Hij heeft toen wel eens Ludwig verslagen. Rob weet zelf niet hoe snel hij is. Hij is vroeger veel gevallen. Dat heeft hem zijn zelfvertrouwen gekost.” Ja, het was bijna weer net zo als vroeger. Ook nu trok hij de sprint aan voor Harmeling. Alleen was het nu echt niet zijn bedoeling geweest.

De Vries hoeft niet bang te zijn voor een uitbrander van zijn ploegleider Jan Raas. Die had al lang gezien dat zijn renners niet zouden winnen. “Die drie van ons hebben de laatste tien jaar samen drie koersen gewonnen. Die hebben geen killersinstinct. Een uur van te voren heb ik al een weddenschap afgesloten dat Harmeling zou winnen.”

Het moeten winnen werkt op de zenuwen, vooral als je nooit wint. Op vijf kilometer van de finish, had assistent-ploegleider Van Calster hem verteld, moest Harmeling demarreren. “Maar dat vond ik te vroeg, met die tegenwind. Ik wilde het op drie kilometer doen. Ik wist dat ik het moest doen. Toen Peiper demarreerde en Kokkelkoren reageerde, wist ik het nog steeds zeker. Ik ben er naar toe gereden en doorgereden. Op honderd procent. Dat doet pijn, maar dat is de enige manier om te winnen. Nee, ik wist dat er niemand meer over heen zou komen. Dan had hij tachtig in het uur moeten rijden. En dat lukt niemand in zo'n groepje. Dat kan alleen in een pelotonsprint, als je gelanceerd wordt.”

Na de Ronde van Spanje voelde Harmeling - en hij vertelt alsof het zijn levensverhaal betreft - dat hij het langzamerhand beu was. Hij reed maar, hij viel maar aan en hij won nooit. Hij zag anderen winnen die er veel minder voor deden en hij werd moedeloos. “Toen zei Gert-Jan Theunisse: "Het wordt tijd dat Rob eens wint'. Maar hij zei me ook dat ik dom reed. "Als jij met iemand wegrijdt, weet hij dat jij altijd op kop zal rijden. Dat moet je eens anders doen'.”

Vóór de vlakke etappe van Pau naar Bordeaux, gisteren, drukte ploegleider Cees Priem Harmeling nog eens op het hart aan te vallen. Juist Harmeling, omdat hij kan soleren. “Tweehonderd kilometer alleen rijden, doet heel zeer, heb ik 'm gezegd. Maar alleen zo kun je winnen.” Priem herinnerde hem er aan dat hijzelf in 1980 als renner van de grote Raleigh-ploeg in Bordeaux le lac had gewonnen - alleen won Priem toen omdat Raas in de bochten met grote plassen iedereen bijna de hekken indrukte. Harmeling luisterde zoals altijd en nam al kort na de start de benen.

De actie werd hem niet in dank afgenomen door de kopmannen. Peloton-oudste Kelly had als eens met zijn petje gezwaaid ten teken van overgave: er zou niet gefietst worden vandaag. “Toen ik wegging, begon iedereen te roepen: "Hé, Harmeling'. Ik werd meteen teruggepakt. Interesseerde me niet. Het komt mij ook weleens niet uit als Bugno demarreert.”

Priem bleef er op hameren dat Harmeling door moest gaan. “Als je nou niet gaat, zet ik je morgen op de trein”, dreigde de ploegleider. Intussen was Noël Segers van de Buckler-ploeg uit het peloton weggereden. Maar Harmeling gehoorzaamde en zette de achtervolging in. Anderen sloten aan, maar de TVM-renner sleurde de groep binnen korte tijd naar de ontsnapte Segers. Het zou het begin zijn van een lange vlucht, die zelfs tot een voorsprong van veertien minuten zou leiden. Omdat de kopmannen niet geïnteresseerd waren in een achtervolging - de volgende dag wachtte immers de ploegentijdrit - konden de vluchters hun gang gaan.

Assistent-ploegleider Van Calster moest Harmeling er voortdurend op wijzen niet te veel aan de leiding te rijden. “Maar daar werd ik godsnerveus van”, bekende de wildebras uit Nijverdal. “Want ik wilde doorrijden. Maar het blijkt toch de beste manier om te winnen. Je hoeft niet hard te rijden om te winnen, weet ik nu.” Priem: “Hij is een hele goede renner, maar je moet hem een beetje sturen. Anders rijdt hij net zo lang door tot hij van z'n fiets valt.”

Harmeling kent zijn beperkingen. Een openhartige, eerlijke prof in de wielerjungle: “Ik win nu, maar morgen doe ik gewoon weer wat ik altijd moet doen.”

Rob Harmeling was gisteren de elfde Nederlander die in Bordeaux een Tour-etappe won. Eerder waren winnaar: 1952: Dekkers; 1953 Nolten; 1954: Faanhof; 1955: Wagtmans; 1965: De Roo; 1976: Karstens; 1980: Priem; 1982: Oosterbosch; 1984: Raas, 1988: Van Poppel; 1992: Harmeling. De zege van Harmelink was de 135ste van een Nederlander.