Economie negeert onbetaald werk en is dus geenszins sekse-neutraal

Omdat de economische theorie zich bezighoudt met mensen die wensen hebben, ongeacht of ze man, vrouw, jong of oud zijn, zou de economische theorie honderd procent sekse-neutraal zijn. Dat betoogt Rolf Schöndorff (NRC Handelsblad 18 juni) in een aankondiging van een internationale conferentie over sekse en economie, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam volgend jaar juni. Mensen kunnen hun wensen vervullen omdat zij over "middelen' beschikken en bij "middelen' hoeven we, aldus Schöndorff, niet meteen aan geld te denken. Tijd kan ook.

Dat tijd in de economische theorie even belangrijk is als geld, is de eerste mythe die ik hier wil ontzenuwen. Tot in de jaren zestig ging de belangrijkste (neo-klassieke) stroming in de economische theorie er van uit, dat mensen moesten kiezen hoe zij hun schaarse tijd verdelen over betaald werk en vrije tijd. De economische theorie veronderstelde dat mensen die rationeel handelen, hun tijd zó over die bestemmingen verdelen, dat hun welvaart, hun nut, daardoor zo groot mogelijk wordt, gegeven een aantal randvoorwaarden. In de jaren zestig begon het besef door te dringen dat ook onbetaald werk beslag legt op de schaarse tijd. Mensen moeten dus kiezen hoe zij hun schaarse tijd verdelen over betaald en onbetaald werk en vrije tijd, dus over drie bestemmingen in plaats van twee. Dit alles na aftrek van de tijd die nodig is om te eten, te slapen en dergelijke. In die theorie is het rationeel dat vrouwen het leeuwedeel van de onbetaalde arbeid en mannen voornamelijk betaald werk verrichten, omdat vrouwen produktiever zouden zijn in onbetaald werk en het onbetaalde werk bovendien prefereren boven het betaalde werk. Bij mannen zou het net omgekeerd zijn.

Als deze theorie inderdaad sekseneutraal is, zou men mogen verwachten dat in economische hand- en leerboeken evenveel aandacht wordt geschonken aan betaald als aan onbetaald werk. Iedereen die ooit een willekeurig economisch hand- of leerboek heeft geraadpleegd, weet dat dit niet zo is. Waarom niet? Omdat economen graag kwantificeren. Om te kwantificeren heb je één noemer nodig, want appels en peren kun je niet met elkaar vergelijken. Geld is heel handig als noemer, als meetlat, om ongelijksoortige zaken met elkaar te vergelijken en bij elkaar op te tellen of af te trekken. Dat is de voornaamste reden dat onbetaald werk niet voorkomt in economische hand- en leerboeken en in de statistieken. Marx heeft geprobeerd het hele economische proces uit te drukken in uren, maar is daar om velerlei redenen niet in geslaagd. Het is ook weinig praktisch, want tijd kun je niet in een portemonnaie doen als er boodschappen worden gedaan. Daarom gaat de economische theorie bijna uitsluitend over geld- en goederenstromen die een "markt passeren', die in geld worden gemeten.

Zou de economische theorie vrouwvriendelijker zijn als aan de onbetaalde arbeid evenveel aandacht zou worden geschonken als aan de betaalde? Galbraith heeft eens gezegd: "what is not counted, is usually not noticed', wat niet gemeten wordt, wordt meestal niet opgemerkt. Onbetaald werk zou stellig meer zichtbaar worden als de economische wetenschap er meer aandacht aan zou schenken. Daardoor zou het probleem van de ongelijke maatschappelijke posities van vrouwen en mannen echter niet opgelost zijn. Opneming van het onbetaalde werk in het nationaal inkomen bijvoorbeeld zou er niet toe leiden dat het arbeidsinkomen van vrouwen groter zou worden, want onbetaald werk zou ook dan niet betaald worden. Maar het zou wel een stap in de goede richting zijn. Daarom is op internationale vrouwenconferenties ook herhaalde malen een motie van die strekking aangenomen.

De tweede mythe in de gangbare economische theorie is dat mensen vrij zijn in hun tijdbesteding. Het individuele gedrag wordt opgevat als een keuzegedrag, gegeven een aantal randvoorwaarden waaronder de inrichting van de maatschappij. Hoe groot is de individuele vrijheid om te kiezen tussen betaald en onbetaald werk binnen de randvoorwaarden? De meeste mensen vinden het vanzelfsprekend dat de vrouw die kiest voor kinderen èn betaald werk, kiest voor een combinatie van een flinke portie onbetaald werk plus betaald werk. Eveneens vanzelfsprekend is dat een man die kiest voor kinderen, niet de hoofdverantwoordelijdkheid heeft voor het onbetaalde werk, maar daar hooguit bij "helpt'. De vrouw die kiest voor betaald werk onder dezelfde randvoorwaarden als mannen, kan een gezin beter vergeten. De randvoorwaarden voor de individuele keuzevrijheid zijn voor mannen en vrouwen dus niet gelijk. Over die verschillende randvoorwaarden wordt in de economische handboeken niet of nauwelijks gerept. Het zou een tweede stap in de goede richting zijn als de economische theorie en het economisch onderzoek meer aandacht zou schenken aan de randvoorwaarden waaronder het individu zijn nut optimaliseert.

Wetenschappers willen weten zegt Schöndorff. Dat is inderdaad wat de vakgroep emancipatie-economie wil. Ik noem maar een paar van de vragen die ons bezighouden:

- Welke waarde heeft de onbetaalde arbeid? - Wat zijn de consequenties van het niet opnemen van de waarde van de onbetaalde arbeid in het nationaal inkomen en daarvan afgeleide economische grootheden zoals de economische groei, de collectieve druk, enzovoort? - Waarom zijn de uurlonen van vrouwen lager dan die van mannen met een vergelijkbare opleiding en arbeidservaring? Waarom is op de arbeidsmarkt sprake van sterke scheiding in "mannen-' en "vrouwenberoepen'? - Waarom is de armoede onder vrouwen groter dan onder mannen? - Waarom is het aandeel van vrouwen in de betaalde arbeid zoveel kleiner dan dat van mannen? - Hoe kan de arbeidsmarktpositie van vrouwen verbeterd worden?

De kosten-baten berekening van kinderopvang die Schöndorff noemt als bijdrage van economen aan het emancipatie-vraagstuk kan heel nuttig zijn. Met het beantwoorden van dit soort vragen blijft de economische wetenschap de wetenschap die het menselijk handelen bestudeert vanuit de spanning die er bestaat tussen de onbegrensde menselijke behoeften en de beperkte hoeveelheid middelen die in die behoeften kunnen voorzien. Het menselijk handelen en de menselijke behoeften zouden dan niet langer eenzijdig als het handelen en de behoeften van mannen worden ingevuld. De economische theorie zou daardoor menselijker worden.