De kool en de kunst van C.J. Fodor

Vanavond moet de Amsterdamse gemeenteraad beslissen over het lot van Museum Fodor, dat volgens het voorstel van B en W wordt gesloten om plaats te maken voor het nieuwe Vormgevingsinstituut. Mede door acties van de betrokken kunstenaars staat de naam Fodor dagelijks in de krant.

Maar wie was Carel Joseph Fodor?

Zijn naam staat op de gevel - en die gevel, naar neoclassicistische stijl, is op zijn aanwijzingen gebouwd. Maar zijn portret, halverwege de negentiende eeuw geschilderd door Nicolaas Pieneman, hangt allang niet meer in de hal. Zijn gelaatstrekken staan niemand meer voor de geest, zijn leven en goede werken evenmin. Ook nu zijn achternaam op ieders lip ligt, is er geen mens die nog denkt aan Carel Joseph Fodor. De beroemde stadgenoot, wiens karakteristiek in 1844 werd vastgelegd in de bundel Waarachtige Physiologie van Amsterdam, en van de meest bekende van Amstels ingezetenen, is anderhalve eeuw nadien volstrekt vergeten.

“Een groot man, die rijk is geworden door kool te verkopen”, heette C.J. Fodor in het aan hem gewijde hoofdstuk. Niet de groente, maar de gelijknamige brandstof was de bron van 's mans fortuin. Hij importeerde de steenkolen uit België en Engeland en verkocht die, aldus zijn anonieme biograaf, aan “eene menigte trafieken en fabrijken”, terwijl ook “de meeste notabele ingezetenen der hoofdstad” tot zijn clientèle behoorden. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn vader, die in het begin van de negentiende eeuw in de nieuwe brandstof was gaan handelen. Fodor senior, een avontuurlijk man van wellicht Hongaarse afkomst, had zich aanvankelijk als clavecimbelleraar in Amsterdam gevestigd en maakte zich sindsdien ook verdienstelijk als orkestmeester in Felix Meritis. Carel Joseph, gemeenlijk Karel genoemd, volgde vaders voorbeeld: ook hij verenigde de handel met de schone kunsten.

Op gezag van de auteur van de vrijmoedig geformuleerde Waarachtige Physiologie moet worden aangenomen, dat Fodor junior een meester was in het ontduiken van de verplichte accijnzen op zijn kolenhandel. Blijkbaar was dat niet zo ingewikkeld: “bij gelegenheid dat hij dineert bij een of ander "hoog' ambtenaar, bijvoorbeeld bij een Controleur, want zulk eene tafel is lang niet te verachten, men eet er goed, zoo als ook van zelf spreekt. Wanneer men eenen goeden vriend bij zich ziet, met wie men gewoon is veel zaken te doen.” En zo, genoeglijk etend en drinkend met de hoogmogendheden, werden de zaakjes geregeld. Maar omdat de verdiensten uiteindelijk ten goede kwamen aan de kunst, liet de kroniekschrijver zijn sarcastische toon alweer snel varen: “Zoo is hij in het bezit van een goed kabinet schilderijen; door één en ander heeft Karel den naam van kunstkenner gekregen; daar hij dat alles aan het verkopen van kool te danken heeft, zo zoude men bijna vermoeden dat zijn kool eene zwarte grondstof moet zijn, en dat hij de zwarte kunst verstond...”

Karel Fodor (1810-1860) is omstreeks zijn 33ste begonnen met het aanleggen van een verzameling beeldende kunst, die bij zijn dood niet minder dan 877 tekeningen en 151 schilderijen van grote waarde bleek te omvatten. Uit publikaties van historici als dr. I.H. van Eeghen, I. Hagenbeek-Fey en J.H. Kruizinga rijst hij op als een man met een behoudende smaak. Hij kocht voornamelijk werk van romantische negentiende-eeuwers die in de ambachtelijke, zeventiende-eeuwse traditie werkten en hun onderwerpen vonden in het arcadische landschap, de woelige golven, de oriëntaalse dromerigheid en de vertroosting van Christus. Een van zijn favorieten was de destijds wereldvermaarde Nederlandse schilder Ary Scheffer, wiens verheven Christus Consolator voor de aanzienlijke somma van ƒ 24.806 door Fodor werd aangeschaft op een veiling van de hertogin van Orléans. Geestdriftig schreef hij in een briefje aan de kunstenaar hoe fraai het schilderij te zijnen huize te baden hing in het noorderlicht: “Ik ben dan ook verzekerd, dat ik onze landgenoten van tijd tot tijd bij de bezigtiging regt opgetogen zal zien.” De tekeningen uit zijn bezit waren van zeventiende-eeuwers als Rembrandt, Ruysdael, Van Ostade en Gerard Dou.

Fodor woonde als vooraanstaand koopman aan de Keizersgracht, op het nummer 611, waar hij behoorde tot de artistieke cercle van de stad en geregeld hoog bezoek ontving. In zijn gastenboek prijken vorstelijke namen als koningin Sophie, de grootvorstin van Rusland met haar gemaal, de prinses van Liechtenstein en de hertog van Saxen-Weimar-Eisenach. Hij werd benoemd tot officier in de orde van de Eikekroon en was lid van de raad van bestuur van de Academie van Beeldende Kunsten. Toen de belangrijke collectie van Adriaan van der Hoop, met onder meer Rembrandts Joodse bruidje, aan de gemeente voorbij dreigde te gaan omdat er ƒ 50.000 aan successierechten moest worden betaald, vulden Fodor en enkele van zijn goed gesitueerde vrienden het bedrag belangeloos aan. Intussen bleef hij, naar de Waarachtige Physiologie volledigheidshalve meldde, ongetrouwd, maar “daarom in het geheel geen vrouwenhater (hoewel zijn smaak wat commun is)”.

Een paar jaar voor zijn dood kocht Fodor aan de Keizersgracht ook de belendende panden 609 en 613, waarmee hij grootse plannen had. Hij liet bouwtekeningen maken voor een museum dat op die plaats aan zijn verzameling moest worden gewijd. De voltooiing daarvan, in 1863, heeft hij niet meer meegemaakt. Bij zijn dood bleek hij “al de door mij na te latene schilderijen, mijn teekeningen, mits gaders mijn gravures en etsen, alles met en daarbij behoorend kasten, kunstboeken en wat verder daarbij behoord” aan de gemeente te hebben gelegateerd. Op voorwaarde dat er een museum van zou worden gemaakt, waarvan de baten ten goede zouden komen aan de armen. “Ik begeer,” heette het in zijn eigenhandig geschreven testament, dat dit “voor het publiek toegankelijk zal worden gesteld onder den naam van “Museum Fodor”, op zoodanige wijze als door het stadsbestuur zal worden geregeld.”

Maar het stadsbestuur vindt het tot op de dag van vandaag lastig omgaan met particulieren die de gemeente een museum willen schenken.