Volksvertegenwoordigers

DAT TWEEDE-KAMERLEDEN het land in gaan is tegenwoordig al het apart vermelden waard.

De afdeling voorlichting van het CDA produceerde onlangs een speciaal lijstje met daarop de namen van zeven Kamerleden die tijdens hun zomerreces stage lopen bij enkele bedrijven en organisaties. Een "KOS-cursus' als het ware: Kamerleden oriënteren zich op de samenleving. Het zou hun dagelijks werk moeten zijn, maar de Haagse vergaderterreur heeft het gemaakt tot een vakantiebezigheid. De Nederlandse volksvertegenwoordiger is een vergaderaar. Het Nederlandse parlement is een van de langst vergaderende ter wereld, zo heeft een griffier ontdekt: dertig weken per jaar en gemiddeld drie dagen achtereen komt de Tweede Kamer bijeen. Daarnaast gaat er haast geen maandag voorbij zonder een of twee uitgebreide commissievergaderingen. Kortom, als Kamerleden ergens een binding mee hebben, dan is het wel met Den Haag. Van afstand nemen is nauwelijks sprake. Met als gevolg dat steeds vaker fundamentele vragen over de praktische uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen in de Eerste Kamer aan de orde komen waar immers de parlementariërs annex "amateur-politici' zitting hebben die nog met één been in de maatschappij staan.

Dé manier om aan de ongezonde situatie een eind te maken zou het besluit van de Tweede Kamer zijn om minder vaak plenair te vergaderen. Tijdens de Algemene Beschouwingen van vorig jaar oktober heeft zowel CDA-fractievoorzitter Brinkman als zijn PvdA-collega Wöltgens daarom gevraagd. De één suggereerde om wekelijks nog maar twee dagen bijeen te komen, de ander om de Tweede Kamer om de andere week te laten vergaderen. Beide ideeën zijn op een muur van onwil bij de mede-Kamerleden gestuit. Ook wat dat betreft lijkt de Tweede Kamer steeds meer op de Haagse bureaucratie: het kan nooit minder. Wat momenteel in de commissie voor de werkwijze van de Tweede Kamer wordt besproken, is nog maar een uiterst slap aftreksel van wat Brinkman en Wöltgens nog geen jaar geleden opperden.

PVDA-VOORZITTER Rottenberg wil de kloof tussen Tweede-Kamerleden en "het land' langs een andere weg dichten. Al eerder liet hij weten niet erg gecharmeerd te zijn van de samenstelling van de huidige Tweede-Kamerfractie van de PvdA. Het afgelopen weekeinde kwam hij met het idee een aantal leden van de fractie hun werk in "deeltijd' te laten vervullen. Het is een aantrekkelijke gedachte. Net als bij het voorstel om minder te vergaderen is het grote pluspunt van deze benadering dat de politiek allereerst bij zichzelf te rade gaat over het functioneren van het politieke bedrijf en de oplossing niet direct zoekt in structuren. Niet voor niets schreven de fractievoorzitters die zitting hadden in de commissie-Deetman - die een onderzoek deed naar de mogelijkheden van bestuurlijke en staatkundige vernieuwing - dat het beter of slechter functioneren van de volksvertegenwoordiging soms meer lijkt af te hangen van de interesse en de ambitie van de leden dan van de hantering van de geschreven en ongeschreven regels.

Het is opmerkelijk dat juist van PvdA-zijde de constatering komt dat niet alle Kamerleden gelijk zijn. Er zijn generalisten en er zijn specialisten, beiden zijn in een grote fractie onontbeerlijk. Wel gelijk is in bijna alle gevallen de maatschappelijke achtergrond van Kamerleden. De quartaire sector is oververtegenwoordigd met als keerzijde dat mensen uit het bedrijfsleven nauwelijks in de Kamer zijn aan te treffen. Het deeltijd-Kamerlidmaatschap voor een deel van de fractie zou die scheefgroei enigszins kunnen rechttrekken.

HET IS IN elk geval een beter idee dan het voorstel van een CDA-commissie onder leiding van oud-minister De Koning om Kamerleden uit die partij nog maar maximaal drie termijnen kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer. Hierdoor wordt van het Kamerlidmaatschap wel een uiterst statisch geheel gemaakt. Verder loopt het CDA hiermee het gevaar dat bepaalde leeftijdscategorieën zich niet meer beschikbaar stellen, danwel dat slechts het tweede garnituur beschikbaar is. Want zoals voor een "gewone' werknemer geldt dat hij na zijn 45ste jaar moeilijker elders aan de slag komt, geldt dit ook voor ex-leden van de Tweede Kamer. Het Kamerlid dat aan zijn laatste termijn bezig is, zal bovendien meer bezig zijn met zijn of haar eigen toekomst dan met het eigenlijke werk.

Dat er over het lidmaatschap van de Tweede Kamer serieus wordt nagedacht is hoognodig. Sinds het aantreden van het kabinet Lubbers-Kok in november 1989 verlieten 23 van de 150 gekozenen de Tweede Kamer. Dat is een aantal om over na te denken. Het tussentijds opstappen van Kamerleden anders dan om politieke redenen blijft bedenkelijk. De kiezer geeft zijn mandaat in principe voor een periode van vier jaar en moet er dan ook van uit kunnen gaan dat de kandidaten voor die periode beschikbaar zijn. Dat steeds minder Kamerleden zich aan die ongeschreven regel houden geeft de ernst van de situatie aan.