Twee eeuwen circus in Nederland in kort bestek

Tentoonstelling: Over leeuwen en clowns, twee eeuwen circus in Nederland. Kantonnaal en Stedelijk Museum, Wijk bij Duurstede, t/m 26/7.

Pieter Magito deinsde nergens voor terug. Tot op tachtigjarige leeftijd, in 1788, slaagde hij erin de burgers en buitenlui te verbazen met zijn kunsten op het hoge koord. “Hij zal”, schreef een krant toen verlekkerd, “met twee persoonen aan zyn benen gebonden en schaatzen aan, ongelooflyke sprongen, konsten en exercitiën executeren... op het koord.” En dat was nog maar één voorbeeld uit 's mans repertoire. Jarenlang vertoonde Magito zijn spektakel op de kermis, steeds vaker in het gezelschap van acrobaten en kunstrijders te paard. Toen dat een min of meer vaste combinatie werd en het werkterrein niet langer tot de kermissen beperkt was, begon de onderneming op een circus te lijken.

De twee eeuwen circus uit de ondertitel van de tentoonstelling Over leeuwen en clowns is op die vage gegevens gebaseerd. Magito deed zijn manege in 1796 over aan de paardenspel-exploitant Lion Kinsbergen, die de zaak snel uitbouwde. Twee jaar later was, blijkens een advertentie, sprake van “een groote Fransche troup Koorddansers, Springers, Voltigeerders en Paarden-ryders”, te bezichtigen door “het gantsche Publiek”. Nog weer een eeuw nadien, in 1896, kondigde Circus Renz een werkelijk grootse vertoning aan met clowns, paardendressuur, acrobaten, jongleur, “voortreffelijk gedresseerde Schotsche Herdershonden” en na de pauze zelfs het spektakelspel Een kunstenaarsfeest op Helgoland, of Eb en Vloed, met “toverpalmen, electrische terrassen en schitterend Bloemencorso”, een ballet van honderd dames, rijtuigen, decoratiën, een Helgolandse vissersdans en een “Polka Comique”. Totaaltheater!

Het is te lezen op een origineel strooibiljet tussen de panelen met verklarende teksten, de reprodukties van etsen, gravures en schilderijen, de vitrines met op circusfiguren gebaseerd speelgoed, de affiches en de clownskostuums, bijeengebracht door het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Bij elkaar vatten ze de geschiedenis in zeer kort bestek samen - met weglating van veel grote namen (waar zijn Oscar Carré en Toni Boltini gebleven?) en zonder enige aandacht voor de factoren, die het circus goeddeels naar de marge van het amusement hebben verdrongen. Een nogal schoolse opsomming is het eigenlijk, die hooguit verheldert waardoor de rol van het paard in het huidige circus veel kleiner is geworden: zo weinig mensen gaan nu nog in hun dagelijks leven met paarden om, dat het publiek er geen benul meer van heeft hoe moeilijk en tijdrovend het is die dieren te dresseren.

Veertien jaar geleden had het Nederlands Theater Instituut de tentoonstelling Van binnen moet je wezen... in huis, eveneens gewijd aan tweehonderd jaar circus in Nederland. Die was vollediger, beeldender en aanstekelijker, met meer authentiek materiaal en aansprekende details. Zoals het circus niet zonder spreekstalmeester kan, zo spreekt ook een expositie over het circus pas tot de verbeelding als de historische feiten met enige zwier worden opgedist. Voor een nieuwe tentoonstelling over twee eeuwen Nederlands circus bestaat tot 1996 nog alle aanleiding.