Stempels en wetten

In Syrië zie je meer met je neus dan met je ogen. Parfum van jasmijn vermengt zich op de souk met het aroma van scherpe oosterse kruiden. In de kronkelige straatjes, die je op geen enkele plattegrond vindt, hangt de geur van versgebrande koffie en van houtskoolvuurtjes waarop kebab wordt geroosterd.

Toch zijn scherpe ogen niet onbelangrijk. Je moet bijvoorbeeld onleesbaar vage stempels kunnen ontcijferen. Lukt je dat niet, dan kan je verblijf onaangenaam eindigen. Syriërs zijn verrassend vriendelijke mensen, die je graag helpen en uitnodigen op de thee. Maar deze Arabische gastvrijheid wijkt voor één ding: de onbuigzame wet.

“U mag het land niet uit”, zegt de Syrische immigratie-beambte. “Journalisten hebben een stempel nodig van het Ministerie van Informatie.” Hij wijst op een vage inktvlek op de rechterbovenhoek van de kaart die ik bij binnenkomst had ingevuld. Dat de vlek onleesbaar is, dat ik hier ben als toerist en dat het vliegtuig op het punt van vertrek staat, laat de militair koud. “Ik kan u niet helpen, het is de wet”, verzucht hij voor de vijfde keer.

Om twee uur 's ochtends zit ik in een taxi, op weg naar Damascus om een stempel te halen bij het Orwelliaanse ministerie. Als we een half uur later de Syrische hoofdstad binnenrijden, klinkt de oproep van de mu'addzins tot het rituele gebed als een bizarre welkomsgroet.

Die dag is een nationale feestdag. Alle officiële instanties zijn gesloten: het is de dag van de martelaren. Vierentwintig uur later biedt de betonkolos van het Ministerie van Informatie een weinig hoopvolle aanblik. Maar wie in Syrië de regels respecteert, kan rekenen op gastvrijheid. “Welkom in Syrië”, glimlacht de topambtenaar tegen iemand die het land niet uit mag, en biedt koffie en sigaretten aan. “Syrië heeft goede betrekkingen met Nederland. Jammer dat jullie betrekkingen met Israel nòg beter zijn.”

Gezeten achter zijn enorme bureau praat hij honderd uit; over de bloemen in Amsterdam, over het “veel te grote leger van Israel” en over het Ministerie van Toerisme, dat probeert Syrië als vakantieland te promoten. Het felbegeerde stempel lijkt nu lang niet zo gewichtig als twee dagen geleden. Na het invullen van enige formulieren wordt een rode adelaar op de immigratiekaart gedrukt.

De regisseur van deze klucht kom je in Syrië op iedere straathoek tegen. Minzaam glimlachend kijkt president Hafez al-Assad je aan vanaf talloze posters op muren en winkelruiten. Hij duikt op als standbeeld, als fresco, op zonneschermen en op "ik houd van Assad'-stickers.

Ondanks deze ogenschijnlijke liefde voor hun staatshoofd willen vele Syriërs het land uit. Maar vertrekken is slechts voor weinigen weggelegd. Om een ticket te kunnen kopen worden kostbare erfstukken verkocht. Een ander obstakel vormt het visum dat een Syriër voor bijna alle landen nodig heeft. Het aanvraagformulier is in een voor de meesten onbegrijpelijke taal gesteld. Voor de prijs van een gemiddeld dagloon kan de hulp worden ingeschakeld van een doctorandus in het Engels, die op de stoep voor het Amerikaanse consulaat kantoor houdt: een wankele tafel, stoel, parasol en een oude typemachine.

Wie ticket en visum heeft weten te bemachtigen, staat voor een volgende drempel: je mag geen Syrische ponden uitvoeren. Noodgedwongen berusten de meeste Syriërs in hun lot. Met houten ploegen bewerken ze het dorre land. Of ze zoeken hun heil in het overbevolkte Damascus.

De ruim twee miljoen inwoners van de Syrische hoofdstad moeten het dagelijks een paar uur zonder stroom stellen. Ook de watervoorziening is een bron van onzekerheid. De vraag of er morgen weer water uit de kraan druppelt, wordt beantwoord met “insh'allah”: als God het wil. De enige zekerheid vormt de oproep tot het gebed, die vijf keer per dag van de minaretten schalt.

Het gemiddeld maandinkomen is drieduizend Syrische ponden. Een rol droge biscuitjes kost al vijtien pond. Vlees staat hooguit eens per twee weken op tafel. Koelkast en auto zijn een luxe die voor weinigen is weggelegd.

Bij gebrek aan eigen auto rijden Syriërs in de talloze taxi's die je goedkoop (soms gratis) brengen waar je wilt, begeleid door een oorverdovend getoeter. Als ik voor de tweede en laatste keer naar het vliegveld rijd, kom ik achter het waarom van dit continue claxoneren. “Wij moeten voetgangers voortdurend waarschuwen”, legt de taxichauffeur uit “want een Syriër loopt de hele dag te dromen.”