Oud-bestuurslid Van der Kooij van RIOD overleden

Tjalling Pieter van der Kooij, oud-hoogleraar aan de Vrije Universiteit, is op 4 juli op 89-jarige leeftijd in Amsterdam overleden.

Dr. van der Kooij was in de jaren 1940-1945 in Den Haag plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Handel, nijverheid en scheepvaart (economische zaken). Het ministerie stond toen - omdat minister Steenberghe in mei 1940 met de regering naar Londen was uitgeweken - onder leiding van secretaris-generaal, dr. H.M. Hirschfeld. In 1942 stond Van der Kooij, die door de Duitse autoriteiten gezien werd als "die Seele des Widerstands' op het departement, op het punt door de bezetter ontslagen te worden. Hirschfeld verzette zich daartegen, wilde dan ook zelf zijn functie neerleggen. Omdat het rijkscommissaris Seyss Inquart echter veel waard was dat Hirschfeld bleef, ging Van der Kooijs ontslag niet door.

Na de oorlog werd hij hoogleraar in de sociale economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en doceerde hij zowel aan de juridische als de economische faculteit. In 1951 werd hij bovendien door de minister van onderwijs benoemd tot lid van het bestuur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie in Amsterdam. Zijn benoeming leidde ertoe dat de vertegenwoordigers van de georganiseerde oud-illegaliteit in de commissie van bijstand van Oorlogsdocumentatie hun functies neerlegden. Zij meenden dat Van der Kooij zou kunnen bewerkstelligen dat de de economische collaboratie in oorlogstijd in de boeken van dr. L. de Jong zou worden goedgepraat. Volgens het bestuur van het instituut was die vrees ongegrond - met gevolg dat Van der Kooij toch als medeverantwoordelijke en als meelezer van de werken van De Jong, die hem in 1988 een "goed beoordelaar' en "een karaktervolle man' noemde, werd aanvaard.

Circa twintig jaar bleef Van der Kooij bij het werk van Oorlogsdocumentatie betrokken, maar in 1972 - bij de publikatie van deel 4 (over de periode mei '40-maart '41) - trad hij terug. Hij vond dat De Jong zo vernietigend had geoordeeld over de persoon en het beleid van zijn vroegere chef, Hirschfeld dat hij voor deel 4 geen enkele verantwoordelijkheid wilde dragen. Omdat hij het instituut toen niet in opspraak wilde brengen, vroeg hij - op 70-jarige leeftijd - "ontslag om gezondheidsredenen'. Dat werd hem verleend.