Kunstenaars tegen het terugdringen van de dood; "Geen piëteit maar nikserigheid'

Op een grote stenen plaat ligt het gebeeldhouwde lichaam van een man, geveld door de dood. Het heeft iets weg van een klassieke graftombe, ware het niet dat de man overdekt is met letters. De deken van woorden is niet een klassieke lofzang op 's mans heldendaden bij leven en welzijn, maar wel een soort bespiegeling:

“IK KON FIETSEN LACHEN TV KIJKEN GENIETEN EEN STOOTJE HEBBEN BLOZEN MIJ VERGISSEN SENTIMENTEEL ZIJN TELEFONEREN EN NU BEN IK DOOD.”

De opsomming eindigt met een abruptheid die niets te raden overlaat. Te cru, te openhartig? Niet volgens de makers van het grafmonument, Nicole Capaan en Walter Carpay, werkend onder de naam Koor. De twee jonge beeldende kunstenaars houden zich sinds twee jaar uitsluitend bezig met funeraire beeldende kunst. In hun werk willen ze nadrukkelijk het idee van de dood laten zien. Een ander ontwerp is een groot betonnen blok met het woord EINDE. “We willen de dood op geen enkele manier onder stoelen of banken steken”, zegt Carpay. “Er wordt niets verstopt, er is geen stilte. Het is een openbaring om het te zeggen. De vraag hoe een eigentijds grafmonument er uit moet zien houdt ons al langer bezig. Het laatste jaar zijn we onze ideeën concreet gaan uitwerken.” Het ontwerpen van eigentijdse grafmonumenten is artistiek volgens Koor volkomen onontgonnen terrein. “In Duitsland heb je nog meestersteenhouwers die een alternatief kunnen bieden voor het uniforme werk. Maar als je in Nederland de begraafplaatsen bekijkt, zie je dat er na de oorlog niets meer gebeurd is. De cultuur, de maatschappij is heel passief geweest. Funeraire beeldende kunst bestaat niet. Er is niks te zien.” Met hun ontwerpen willen ze een alternatief bieden voor de "klaagmuren' van confectiestenen die op de moderne begraafplaatsen te zien zijn.

Koor grijpt in feite terug op een eeuwenoude traditie. “De eerste keer dat de mens een beeldhouwwerk maakte, was het een grafmonument”, zegt Carpay zelfs. Grafsculpturen en ornamenten zijn altijd het terrein geweest van kunstenaars. In Nederland is die traditie inmiddels uitgestorven. Tot in de negentiende eeuw werd er nog rijkelijk met vanitas-symbolen gestrooid. Zwaar aangezette symboliek wees de voorbijganger op de vluchtigheid van het bestaan. Na de eeuwwisseling is met het terugdringen van de dood uit het dagelijks leven die grafcultuur ook langzaam verdwenen.

Tot nu toe hebben Carpay en Capaan hun ontwerpen alleen nog op schaal uitgewerkt. Het is nog maar de vraag of hun modellen geplaatst kunnen worden omdat op veel begraafplaatsen strenge regels gelden voor vorm en uitvoering van gedenktekens. Carpay vergelijkt de talloze voorschriften voor grafmonumenten met de regels van Bouw- en Woningtoezicht. “Maar een gedenkteken moet in kleurstelling, vorm, en materiaalgebruik veel meer een uitdrukking zijn van een individu, en van het besef van de dood. Dat is eigenlijk wat je mist na de oorlog. De oude symbolen als zandlopers en doodshoofden geven een gedenkplaats identiteit. De jongere begraafplaatsen hebben met hetzelfde probleem te maken als de naoorlogse buitenwijken. Die missen karakter, een herkenbare identiteit. Veel mensen verwarren die nikserigheid met piëteit.” De twee kunstenaars willen dan ook meer dan incidenteel een grafmonument ontwerpen. Het gaat ook om een "structurele verbinding' tussen de kunstwereld en de uitvaartwereld zodat er meer mogelijkheden komen voor individuele expressie. Ze zijn in overleg met beheerders en instanties om te komen tot een "proeftuin', waar kunstenaars en architecten nieuwe ideeën op het gebied van grafbedekking tonen. Zelf maken ze af en toe gebruik van traditionele vanitas-symbolen als het skelet, maar Carpay ziet ook mogelijkheden voor de toepassing van moderne techniek: “Ieder werk zou een heel eigen uitgesproken artistiek gezichtspunt moeten vertegenwoordigen. Je kunt lampjes laten branden in bepaalde patronen, teksten tot in de eeuwigheid programmeren, of met geluidssensoren werken, zodat als mensen erlangslopen er geluid uitkomt.”

Op de NUVU-beurs, een vakbeurs voor de uitvaartwereld, presenteerde Koor zijn werk aan de uitvaartondernemers en begraafplaatsbeheerders. Er bleek heel veel belangstelling te zijn voor het idee dat kunstenaars zich gaan bezighouden met de vormgeving van gedenkplaatsen. Maar echte vrijheid van grafbedekking is iets dat veel moeilijker ligt. Chaos zou het gevolg zijn. Hoewel er dus nog de nodige scepsis is, zijn er volgens Carpay steeds meer ondernemers uit de uitvaartwereld die de veranderingen welwillend bekijken. “We staan nu op een keerpunt. Het hoogtepunt van de onverschilligheid over rituelen en vormen, ook in de uitvaartcultuur, is voorbij. Het lijkt alsof de consument mondiger wordt en meer om zich heen gaat kijken. Het uitvaartbedrijf is een serviceverlenende instelling, waar je voor betaalt en waar je kwaliteit kunt vragen. Heel veel mensen hebben geen zin meer in de nikserigheid waar de uitvaartcultuur in Nederland terecht is gekomen. Ze hebben geen zin meer in anonieme rouwcentra, in uitvaarten die helemaal uit handen genomen worden, ze hebben geen zin meer in een uitvaart die in twintig minuten afgeraffeld wordt. En ook niet meer in standaard grafmonumenten. Mensen uit de uitvaartwereld hebben allang in de gaten dat het er anders uit gaat zien. Wij bepleiten een gedenkteken met een gezicht. Zij hebben in de gaten dat de hele uitvaartcultuur toe is aan een nieuw gezicht.”