Duo Breukink-LeMond wankelt onder Spaans-Italiaanse tirannie

PAU, 7 JULI. De Marie-Blanque is de enige Pyreneeën-col in de Tour de France van dit jaar. De beklimming heeft niet de reputatie van een Tourmalet of een Aubisque, reikt niet naar een indrukwekkende hoogte (1035 meter), maar behoort met een stijgingspercentage tussen 7,7 en 13 (in de laatste twee kilometer) procent tot de steilste die het Tourpeloton deze maand krijgt voorgeschoteld. Ze vormde gisteren voor de favorieten Miguel Indurain, Gianni Bugno en Claudio Chiappucci aanleiding de concurrentie te confronteren met hun in deze Tour als onaantastaar beschouwde macht.

Greg LeMond en Erik Breukink, met name, moesten gisteren in de tweede Touretappe al ervaren dat ze dit jaar mogelijk een hopeloze strijd leveren tegen de Spaans-Italiaanse heerschappij. De weer tomeloze aanvalsdrift van Chiappucci leidde er bijna toe dat genoemd duo voorgoed tot de kanslozen zou behoren. Hun schade kon in de slotfase van de etappe dank zij de steun van een grote groep nog worden beperkt tot 18 seconden, maar de manier waarop LeMond en Breukink door de aanvallers op de knieën werden gedwongen, was tekenend voor de heersende krachtsverhoudingen.

De Marie-Blanque heeft ondanks zijn bescheiden rol die de col meestal in de schaduw van de grote Pyreneeën speelt wel meer voor opschudding gezorgd. In 1978 verloor Thevenet drie minuten op Pollentier, Hinault, Zoetemelk en Kuiper. En in 1986 probeerde Hinault in samenwerking met Delgado zijn ploeggenoot LeMond ervan te overtuigen dat hij de kopman in het La Vie Claire-team behoorde te zijn en niet zoals volgens afspraak LeMond. Hinault moest zijn bluf op de verraderlijke col bekopen met een sensationele en bijna fatale inzinking in het vervolg van de etappe.

Breukink kwam in 1987 tijdens zijn eerste Tour aan het wiel van gereputeerde klimmers als Herrera, Bernard en Wilches op de top van de Marie-Blanque aan. Hij zou die dag in Pau zijn eerste Tour-etappe winnen. Het was het begin van een loopbaan als Tour-favoriet, een reputatie die hij nog altijd koestert, maar intussen steeds meer door onzekerheden uit balans wordt gebracht. Gisteren moest hij - weer in Pau - toegeven dat hij eigenlijk niet op kan tegen Indurain en Bugno. Goed, het was de eerste zware beklimming en voor een renner die langzaam op gang komt wel erg steil, maar het favoriete duo is lichamelijk toch sterker.

Hij was er zoals altijd heel eerlijk in. Hij kon gewoon niet meekomen toen er door Chiappucci werd versneld. Maar de Tour is nog lang. En pas na de tijdrit van Luxemburg, volgende week maandag, kan hij meer zeggen over zijn positie. Vergeleken met de Tour van twee jaar geleden, toen hij als derde in het eindklassement, eindigde, rijdt hij goed en is zijn lichamelijke conditie niet onbevredigend. In 1990 voelde hij zich in de eerste week allerminst gezond.

De vraag is of Breukink bestand is tegen het indrukwekkende geweld dat Indurain, Bugno en Chiappucci nu al tijdens de eerste dagen op cruciale momenten ten toon spreiden. “Er wordt niet aangevallen”, weet Breukinks ploegleider Jan Gisbers. “Het tempo gaat gewoon verschrikkelijk omhoog. En niet alleen op die colletjes, maar vanaf de start. Ja, en als Chiappucci tegen een berg op sprint, rijdt Breukink zijn benen stuk. Zeker als hij een slechte dag heeft. Als die Chiappucci zo doorgaat blaast hij zichzelf op, dan wordt hij 23ste in Parijs, maar dan heeft hij wel iedereen stuk gereden, behalve Indurain en Bugno. Tegen die twee is niets te beginnen. Bugno is het hele jaar al bezig in dienst van de Tour. Dat is gewoon een verschrikkelijke klasbak. En Indurain maakt biologisch sterke jaren door.”

De vergelijking met generatiegenoot Breukink is onvermijdelijk. Gisbers: “Hij kan alleen nog beter worden door ervaring, leren de pijngrens te verleggen. Breukink moet nu op zo'n Marie-Blanque de pijn verbijten. Indurain voelt niets. Als je zoals Indurain meer klasse hebt, doe je minder. Dat kost minder energie. Voor Bugno geldt in feite hetzelfde. Maar Chiappucci moet werken. De rollen zijn verdeeld. De hoofdrolspelers zijn bekend.”

Van belang is de ploegentijdrit van morgen, 63,5 kilometer rondom Libourne. De PDM-ploeg mist in vergelijking met vorig jaar op dit onderdeel sterke renners als Kelly en Raab. “Maar de ploeg is een eenheid. In deze groep weet iedereen waar hij aan toe is”, antwoordt Gisbers op de vraag of het uit elkaar gaan van de ploeg door het afhaken van sponsor PDM niet decollectiverend werkt. Hij ziet in de jonge ploegen van Banesto (Indurain) en Castorama (Leblanc) de favorieten voor de tijdrit. Maar dat terzijde, het gaat over de saamhorigheid in het team van Gisbers. En die is er echt wel, volgens de ploegleider, want de meeste renners zullen volgend jaar waarschijnlijk bij hem blijven.

De nieuwe sponsor zal zich waarschijnlijk tijdens deze Tour presenteren. Maar of Breukink blijft, kan Gisbers niet zeggen. “Breukink en zijn vader willen voorlopig niet meer over een contract praten. Ze willen tot na de Tour wachten. Alcala zegt te willen blijven, maar de meesten moeten nog tekenen. Ik zou graag met Breukink verder gaan. Dat doe ik uit chauvinistische overwegingen. Maar de sponsor komt niet uit Nederland. Die kiest gewoon de renner, van wie ze de hoogste verwachtingen heeft. Breukink wil afhankelijk van zijn prestatie in de Tour onderhandelen. Dat mag. Ik heb geen haast, ik heb alle tijd, wel tot september. Als hij tiende wordt in de Tour, zal hij straks misschien graag tekenen, maar misschien zegt de sponsor dan dat ze liever een ander hebben voor dat geld, een renner die derde of vierde in de Tour is geworden. Ze denken aan volgend jaar en niet aan een reputatie.”

Volgens Gisbers zal de uitslag van de Tour in augustus tot opmerkelijke verschuivingen in het bestand van de diverse ploegen leiden. Ook omdat ten minste negen sponsors afhaken. “En wat is er waar van al die verhalen en aanbiedingen? Ik heb gehoord dat Breukink een riant aanbod heeft gehad van een sponsor. Dat kan niet. Ik weet dat die firma net twee fabrieken heeft moeten sluiten. Als Breukink straks grof betaald gaat worden, is dat omdat hij volgend jaar de Tour kan winnen, niet omdat hij derde kan worden.”

Het Spaanse ONCE zou in de markt zijn voor Breukink. Maar deze ploeg heeft al de beschikking over Mauri, Bruyneel, Jalabert en sinds kort over een nieuw talent, Alex Zülle. De Zwitser verloor gisteren zoals verwacht zijn gele trui. Hij moest de leidersplaats afstaan aan de Franse tweedejaars prof Richard Virenque, die samen met de Spaanse ritwinnaar Javier Murguialday vijf minuten voorsprong had op Indurain en de zijnen. Zülle verloor ruim twaalf minuten. Gisbers verwacht niettemin dat Zülle een “grote” wordt. “Dat hij nu instort is niet verwonderlijk als je al het hele voorjaar zo hard rijdt en wint.” Twee jaar geleden probeerde een oom van Zülle een plaatsje voor zijn neefje in de PDM-ploeg te versieren. Maar Gisbers had geen ruimte. “Niet omdat ik niet geïnteresseerd ben, maar omdat er geen geld was voor een jonge renner. De ploeg barstte op dat moment van talent, er was geen financiele ruimte meer.”

Gisbers vindt het “hardstikke stom” van Zülle dat hij voor drie jaar bij ONCE heeft getekend. “Hij zal wel veel geld verdienen, maar het wordt moeilijk voor hem als hij weg zou willen. Maar zoals ik al zei, alles is na de Tour mogelijk. Zelfs ruilen. Stel dat ONCE twee miljoen voor Breukink biedt, dan kan mijn sponsor Zülle voor 1,4 miljoen nemen.”