De buurman met de bijl

De heren Van Dam en Verkijk wonen in een straat te Leusden aan weerskanten van de heer Oudenallen - een feit dat zij met de dag meer betreuren. Oudenallen is geen gelukkig mens en het lijkt soms wel of hij anderen wil inscherpen dat zij evenmin redenen hebben om gelukkig te zijn.

Als Oudenallen van zijn werk in een supermarkt thuiskomt, zet hij het terstond op een hevig zuipen. Dat is nog tot daaraan toe. Maar Oudenallen is een alleenstaand man en stilte blijft stilte, ook al drink je nog zoveel. Dus wat doet Oudenallen? Hij zet de volumeknop van zijn stereo-installatie wijd open, zó wijd dat Van Dam en Verkijk verstijven achter het papierdunne tussenwandje waarmee de bouwers van Nederland zo menig nieuwbouwpand hebben verblijd.

Klonk daar nog Mozart of Chopin, ach, een mens zou zich misschien nog een tijdje in zijn lot schikken. Maar Oudenallen zweert bij heavy metal, dus de gitaren boren zich als elektrische kettingzagen een weg naar het gehoor van zijn buren.

De buurmannen werden er gek van. Van Dam zat ten slotte elke dag met ingehouden adem te wachten op het lawaai dat, als een onontkoombaar natuurverschijnsel, omstreeks vijf uur des middags moest losbarsten. Verkijk ging vele blokjes om met de hond in de hoop dat Oudenallen intussen in een aanval van razernij eerst aan zijn installatie en vervolgens aan zichzelf de hand zou slaan.

Maar Oudenallen keek wel uit. Zolang hij buren had die zich nog om hèm druk maakten, had hij toch nog een reden van bestaan?

Op een dag zeiden Van Dam en Verkijk tegen elkaar: wij nemen dit niet langer. Zij gingen eens flink praten met hun buurman. Veel Nederlanders (ongeveer de helft) die in hun overbevolkte landje in burenruzies verwikkeld zijn, weten waar dit op uitloopt: op niet praten. Op schreeuwen. Op zwijgen. Op doodverklaren. Op zuigen en pesten. Kortom: op terreur.

Oudenallen kocht er nog maar een versterkertje bij.

Van Dam en Verkijk hadden het niet meer. Zij zijn twee rustige, ambtenaarachtige mannen, maar zij begrepen dat zij nu voor hun leven moesten vechten. Zij waarschuwden de politie, die weinig kon uitrichten. Zij bleven Oudenallen bestoken met verzoeken om stilte. Zij belden aan tijdens de orgiën van lawaai. Toen Oudenallen zijn bel uitschakelde (te veel lawaai), waagden zij zich in zijn achtertuin en klopten op zijn keukendeur.

Het is bekend: van het een komt het ander. Ook hier. En daarom staat Oudenallen nu op deze broeierige junimorgen terecht voor een koel kijkende Utrechtse politierechter, mr. A. Scholten. Zoals hij daar zit, in het verschoten spijkerpak om het pilszware lichaam, is Oudenallen één groot, moedeloos verwijt aan zijn verwekkers. Hij wordt ervan beschuldigd buurman Verkijk met een bijl te hebben bedreigd.

“Waarom had u een bijl in uw woonkamer?” vraagt de rechter.

“Ik doe nogal eens wat in huis.”

“U wist van de klachten tegen u?”

“Er zijn alléén maar klachten”, hoont Oudenallen.

“Ook nog klachten van andere buren?”

“Ja, ze spelen allemaal onder één hoedje. Ze hebben me regelmatig bedreigd en achtervolgd. Die dag kwam Verkijk mijn tuin binnen. Ik zei: donder op. Hij liep door. Klopte op mijn woonkamerdeur. Ik deed de deur open, gaf hem een schop tegen zijn kloten. Helaas half mis.”

“Deed u hem open om hem een schop te geven?”

“Om hem duidelijk te maken dat hij er niets te zoeken had.”

“Of dat moet door hem tegen zijn kloten te schoppen, is een tweede”, zegt de rechter laconiek.

Over wat er daarna op die morgen precies is gebeurd, lopen de lezingen van de twee buren uiteraard uiteen. Volgens Verkijk pakte Oudenallen een bijl van de bank, hief hem op en hakte naar hem. Maar Oudenallen beweert dat hij slechts met geheven bijl op Verkijk is afgelopen, zonder te hakken. Het is een subtiel verschil waar mr. H. Zandijk, de advocaat van Oudenallen, langer bij stilstaat dan de officier van justitie, mr. B. Swagerman, en de rechter.

“Geen sprake van opzet tot bedreiging”, zegt de advocaat.

“Ik betwijfel of hij een hakkende beweging heeft gemaakt”, zegt de officier, “maar de dreiging ging uit van het opheffen en op hem aflopen. Het gaat niet aan om zo met je buren om te gaan.”

“Ik acht bewezen”, zegt de rechter, “dat hij met die bijl dreigend op Verkijk is toegelopen. Bij de raadsman proef ik dat het de normaalste zaak van de wereld is om iemand met een bijl je tuin uit te jagen.”

“Dat heb ik niet gezegd”, zegt de advocaat.

“Akkoord, dan heb ik dat verkeerd begrepen.”

De rechter wendt zich weer tot de verdachte. “Hoe is de situatie nu in uw straat? Nog steeds gespannen?”

“Weet ik niet.”

“Drinkt u veel?”

“Aardig, ja.”

“Wat zijn het voor huizen?”

“Zes op een rij, ze zijn vreselijk gehorig”, zegt Oudenallen met de overtuiging van de ware kenner.

De rechter veroordeelt Oudenallen tot twee weken voorwaardelijk en een boete van vierhonderd gulden. Tweehonderd gulden minder dan de officier van justitie had geëist.

“Ik hoop dat u erin slaagt wat meer rust te brengen in die buurt”, voegt de rechter eraan toe.

Oudenallen vertrekt zijn gezicht in een grijns als hij opstaat. Van Dam - in tegenstelling tot Verkijk aanwezig op de publieke tribune - ziet het aan en lijkt er niet gerust op.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.