Bouw bindt strijd met ziekteverzuim aan

Driekwart van de Nederlandse beroepsbevolking behoort tot de wereldelite, de rest is ziek of arbeidsongeschikt. Om dat te verbeteren verdienen ook arbeidsomstandigheden meer aandacht. Aflevering 7: de bouw.

ROTTERDAM, 7 JULI. “Aan een dood paard kun je niet trekken”, zegt bestuurder W. Eshuis van de Bouw- en Houtbond FNV. Hij doelt op de onwil die in het verleden bij de werkgeversorganisatie AVBB zou hebben bestaan om aandacht en geld uit te trekken voor verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid. Maar Eshuis steekt ook de hand in eigen boezem. “Wij hebben te weinig begrip gehad voor de praktische uitwerking van maatregelen op de werkvloer.”

Jarenlang bevochten vakbonden en werkgeversorganisaties elkaar over de arbeidsomstandigheden in de diverse sectoren van de Nederlandse economie. Werkgevers zouden nooit iets willen op dit gebied, vakbonden zouden altijd te veel willen. Met de discussie over de ziektewet en de WAO die de afgelopen jaren op gang kwam, is een kentering in dit denken gekomen.

Eshuis erkent dat de WAO-discussie van vorige zomer veel heeft losgemaakt. “Aanvankelijk leek het voorstel alleen over controle van zieke werknemers te gaan. Voor ons als vakbeweging was dat een vreselijke tijd. Maar uiteindelijk werd het een brede discussie over arbeidsomstandigheden. Bij de politiek en de werkgevers is de knop nu een beetje om.” Ook bij het AVBB erkent adjunct-directeur mr. P. van Rooij dat onder druk van de maatschappelijke discussie de aandacht voor het ziekteverzuim “ongelooflijk snel” is toegenomen.

In de bouwnijverheid vinden volgens de Bouw- en Houtbond FNV jaarlijks ruim 15.000 bedrijfsongevallen plaats. Dat is 25 procent van alle bedrijfsongevallen in Nederland, terwijl de bouw 8 procent van de totale Nederlandse werkgelegenheid vormt. Voorbeelden zijn er te over. Machines die vingers opeten doordat ze niet goed zijn afgesteld, roestige spijkers die door de zool van gymschoenen in de voet verdwijnen en putten waar men in valt omdat deksels ontbreken. En dan heeft Eshuis het nog niet eens over de schilders die werken met oplosmiddelen, “welke naast de ozonlaag ook de hersenkwabben aantasten”.

Vaak zijn de vakbonden geneigd de zwarte piet naar de werkgevers toe te schuiven. Maar wat hebben de bouwbonden zelf bereikt op het gebied van arbeidsomstandigheden? Eshuis somt op: “De invoering van de 25-kilo zak, het niet hoeven werken met asbest en bepaalde zware materialen en het instellen van de Stichting Arbouw.” Deze stichting geeft sinds 1986 adviezen voor verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid. Het lijstje met bereikte resultaten is niet overweldigend, dat geeft hij toe. “Wat je als vakbond kunt trekken is eindig. Wij blijven tenslotte de vragende partij.”

Ondanks een relatief hoge organisatiegraad, goede samenwerking tussen de bouwbonden van FNV en CNV en werkplaatsen die schreeuwden om meer veiligheid is de vakbeweging lang in haar rol van vragende partij blijven steken. Maar zo'n veertig procent van de werknemers interesseert zich ook niet voor verbetering van de arbeidsomstandigheden, meent Eshuis. “Staken alleen voor een betere en veiligere werkplaats is onmogelijk. Zo sterk leeft het onderwerp niet.”

Aan werkgeverszijde verwijst mr. M. van der Ent, coördinator arbeidsbeleid, voor het ontbreken van goede afspraken over arbeidsomstandigheden ook naar zijn achterban. “We hebben altijd getwijfeld of het wel zinvol is maatregelen over arbeidsomstandigheden in een CAO op te nemen. Je kunt prachtige afspraken maken, maar als onze achterban deze vervolgens aan zijn laars lapt.... Je kunt nu eenmaal niet achter iedere werkgever een politie-agent zetten.”

Het creeëren van goede arbeidsomstandigheden kost geld, meent Van der Ent. “De kosten van de investeringen moeten worden opgebracht door het totaal van de aanbestedingen.” Met andere woorden, opdrachtgevers moeten meer betalen. In dit geval hekelt Van der Ent de rol van de overheid. “Die heeft twee petten op. De arbeidsomstandigheden moeten pico bello in orde zijn, maar aan de andere kant probeert ze wel zo laag mogelijk in te schrijven.”

Arbeidsomstandigheden verworden op deze manier tot concurrentiemiddel. Wie met twee ladders en een verbindingsschotje een steiger in elkaar zet, kan zijn diensten goedkoper aanbieden dan een werkgever die een solide, veilige steiger aanschaft. Maar Van den Endt meent dat deze laatste groep werkgevers op den duur zal winnen.

Daarvoor verwijst hij naar maatregelen die de werkgever direct in zijn portemonnee treffen, zoals een toekomstig gediffentieerd premiestelsel. Hoe meer werknemers in de WAO belanden, hoe meer het bedrijf moet betalen. Maar ook de zogenaamde zes-drie-weken maatregel, waarbij grotere werkgevers gedurende de eerste zes weken en kleinere ondernemers gedurende de eerste drie weken voor de kosten van een zieke werknemer opdraaien, speelt een rol. Volgens het AVBB zien werkgevers zo langzamerhand in dat zorgvuldige omgang met "human capital' geld oplevert.

Alle meningsverschillen in het verleden ten spijt, kwamen de bonden en werkgevers in de bouwnijverheid dit jaar wel tot overeenstemming over de aanpak van het ziekteverzuim. Daaraan zitten ook de arbeidsomstandigheden gekoppeld. Als eerste sector voert men op termijn zogenaamde "negatieve arbeidsvoorwaardelijke prikkels' in. Het ziekteverzuim moet binnen twee jaar met één procentpunt dalen. Is dat niet het geval, dan krijgen de werknemers vanaf de tweede ziekmelding de eerste ziektedag niet uitbetaald. In 1991 bedroeg het ziekteverzuim 11,2 procent, een jaar daarvoor was dat nog 12,2 procent.

Om het ziekteverzuim terug te dringen, presenteerden de CAO-partijen onlangs een plan van aanpak. Daarin staat een groot aantal maatregelen, zoals het aanstellen van tien verzuimbegeleiders, het opzetten van een verzuimregistratie en een terugkeerplan voor langdurig zieken. Daarnaast zullen op de nieuwe torenkranen van 30 meter of hoger transportplatformen worden aangebracht en moet bij bouwobjecten hoger dan vier verdiepingen een lift aanwezig zijn.

De maatregelen laten nog veel ruimte over. Tien verzuimbegeleiders voor ruim 18.000 bedrijven houdt niet over, vindt bondsbestuurder Eshuis. Maar er is een begin gemaakt met de uitvoering van het wensenlijstje van de bonden.