Veel huisartsen gaan niet adequaat om met euthanasie-middelen

UTRECHT, 6 JULI. Een aanzienlijke groep huisartsen gaat niet adequaat om met de middelen die gebruikt worden bij het toepassen van euthanasie. Dat blijkt uit een onderzoek van geneeskundig inspecteur G. Van der Wal, prof. dr. J. van Eijk, prof. dr. H. Leenen en dr. C. Spreeuwenberg dat in het laatste nummer van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde is gepubliceerd.

Volgens de onderzoekers is het niet verwonderlijk dat artsen niet geheel volgens de richtlijnen werken. Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn in feite strafbare handelingen die zich grotendeels in de taboesfeer afspelen. Uitwisseling van ervaring en het vastleggen daarvan in wetenschappelijke publikaties worden daardoor bemoeilijkt, aldus de onderzoekers.

Aan het onderzoek in de vorm van een anonieme schriftelijke enquête werkten ongeveer 700 huisartsen mee. De onderzoeksperiode besloeg de jaren 1986 tot 1989. De enquête behelsde vragen als welke middelen de artsen gebruikten bij euthanasie, op welke wijze en in welke dosering deze werden toegediend, hoeveel tijd er verloopt tussen toediening en overlijden en in welke mate er complicaties zijn. In totaal konden 388 gevallen van euthanasie worden geanalyseerd.

Volgens de onderzoekers volgden veel huisartsen de richtlijnen die door de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie zijn opgesteld.

Toch bestaat de indruk dat een “aanzienlijke” groep huisartsen die richtlijnen minder adequaat hanteert. Dat bleek vooral uit de wijze waarop de huisartsen opiaten (zoals morfine), slaapmiddelen en insuline gebruikten als middel om euthanasie toe te passen. Daarbij werd gebruik gemaakt van de niet-gewenste zetpillen, werden de middelen onder de huid in plaats van in de ader gespoten, werd er te weinig toegediend en hadden de artsen geen spierverslappers achter de hand.

Bij 12 procent van de patiënten werden complicaties of niet-beoogde effecten gemeld. In sommige gevallen leidde de toediening tot een te trage dood, of juist tot een te snelle dood. Het kwam ook voor dat patiënten zich verslikten bij de inname van het middel of dat ze het middel weer uitbraakten.

Uit het onderzoek bleek ook dat de Nederlandse huisartsen geen duidelijke voorkeur voor een bepaald middel voor levensbeëindiging hadden. Zeker meer dan veertig verschillende middelen werden in uiteenlopende doseringen gebruikt.