Utrechtse wijk leeft op door buurtpreventie; Per straat houdt een vertegenwoordiger contact met de politie

UTRECHT, 6 JULI. Twee jaar geleden zag het er somber uit voor de Fruitbuurt in de Utrechtse arbeiderswijk Ondiep. Iedereen leefde langs elkaar heen, inbraken waren aan de orde van de dag en bewoners die het zich konden veroorloven, zochten hun heil elders. Hoe anders is nu de situatie. Onlangs was er voor het eerst sinds tijden een buurtfeest. Het aantal inbraken is drastisch gedaald en als er een woning vrij komt, staan de nieuwe kandidaten elkaar te verdringen.

De oorzaak van deze klimaatsverandering heet ”buurtpreventie'. De omslag kwam op 23 oktober 1990. J. Hagen, een goedlachse 45-jarige bewoonster van de Aardbeistraat die in de horeca werkt, kwam 's nachts om vier uur thuis en zag hoe iemand bij de buren een koevoet onder een raam zette. (“Er waren in die tijd in onze straat zeven inbraken per week.”) Binnen een mum was de halve straat op de been en werd besloten tot de vorming van een burgerwacht. Hagen: “Met honden, knuppels en ijzeren pinnen liepen ze rond.”

Na anderhalve week kwam er een eind aan het eigengereide optreden van de Fruitbuurt. De knokploeg had een verdacht sujet ontdekt en in elkaar geslagen, waarop deze bij de politie aangifte deed wegens mishandeling.

“Ik heb toen meteen gezegd: Hier moet je gebruik van maken”, vertelt A. van der Laan, coördinator buurtpreventie bij de Utrechtse gemeentepolitie. Van der Laan had een half jaar tevoren tijdens een studiereis in Minneapolis (VS) het een en ander gezien op het gebied van ”neighbourhoodwatching'.

Terwijl de politie de woningen in de gaten hield, werden de bewoners in het buurthuis opgetrommeld. Daar werd hun niet alleen duidelijk gemaakt dat ze op het verkeerde pad waren, maar ook wat ze wèl konden doen.

Per straat werd een vertegenwoordiger gekozen om het contact met de politie te onderhouden. Onveilige plekken werden in kaart gebracht, er kwam extra verlichting, voor veel ramen verscheen een bordje ”Attentie buurtpreventie' en de bewoners smeedden zelf uit sloopijzer onverwoestbare poorten voor de brandgangen. Alles op eigen kosten.

“Er was gezonde sociale controle nodig”, zegt Van der Laan. “Het gaat er niet om dat de mensen van elkaar weten wat ze eten. Maar er zijn twee manieren om thuis te komen: strak voor je uit kijken en recht naar huis rijden of nog eens een rondje maken.”

Hagen schudt heftig het hoofd bij de vraag of ze nu vaak voor het raam zit te gluren. “Nee, daar word je toch gek van? En ik heb er de tijd niet voor. Als we iets zien, bellen we ook niet meteen naar de politie, maar kijken we eerst de kat uit de boom. Anders worden ze op het bureau gek. Maar als ik 's nachts mijn hond uitlaat, heb ik wel een draagbare telefoon bij me.”

Het succes van de Aardbei-, Framboos- en Wijnbesstraat is inmiddels naar andere buurten overgeslagen. Soms noodgedwongen, omdat het dievengilde zijn werkterrein had verlegd. In de Fruitbuurt en omgeving is het aantal inbraken met tachtig procent gedaald.

In Utrecht-Noord draaien nu twintig preventieprojecten en er staan nog vijftien projecten op stapel. “Maar dat kunnen er over een maand meer zijn”, zegt Van der Laan. “Ik kan de belangstelling nauwelijks verwerken. En het is altijd zo dat de mensen naar ons toe komen. Dat is ook de enige manier waarop het werkt. Je kunt ze niet een project door de strot duwen.”

Standaardadviezen kunnen niet worden gegeven, want elke buurt is anders. Van belang is dat per project een beperkt gebied wordt bestreken. De grootte variëert van 20 tot 144 woningen. Hagen: “Je moet het blok niet te groot maken, want het gaat om de onderlinge contacten van de mensen. Dit project is grandioos. We zijn nu weer trots op het wijk. De mensen léven weer.”