Nederlands kampioen Johan van Lieshout keert zich walgend af van topsport; Voor Maas en Mellaard rest alleen de kater

HELMOND, 6 JULI. Geen enkele atleet heeft zich afgelopen weekend bij de Nederlandse kampioenschappen in Helmond meer weten te kwalificeren voor de Olympische Spelen. De Nederlandse atletiekploeg blijft beperkt tot 16 sporters, inclusief de 4 x 100 meter estafetteploeg bij de vrouwen. Voor de overige nationale toppers rest alleen de teleurstelling, het verbijten en weer verdergaan. Of het stoppen.

Emiel Mellaard (26) heeft vorige week serieus overwogen om met verspringen te kappen. Vorig jaar bij het WK in Tokio ontbrak hij ook al. In Barcelona zal hij weer niet bij zijn. Toch zet hij door. “Ik ben een taaie.”

Zijn eeuwige rivaal Frans Maas (27) mist nu al voor de tweede keer de Spelen. Maar ook voor Maas is er nog leven na Barcelona. Hij geeft pas op als hij erbij neervalt, wat soms niet veel gescheeld heeft. “Ik ben hard voor mezelf.”

Misschien is Johan van Lieshout (23) wel minder hard en taai. Misschien is hij wel ongeschikt voor topsport, zoals Bert Paauw, technisch coördinator van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU) voorzichtig suggereert. In elk geval sloot Van Lieshout zaterdag met een Nederlands kampioenschap bij het speerwerpen zijn topsportloopbaan af. Hij heeft genoeg van de druk én de uitbuiting én de offers. “Ik denk dat ik te sociaal voor topsport ben.”

Mellaard, Maas en Van Lieshout zijn niet de enige nationale toppers die de Spelen via de tv zullen moeten volgen. Van de 16 atleten die vorig jaar jaar nog goed genoeg waren voor uitzending naar het WK in Tokio, plaatsten zich er maar drie voor de Olympische Spelen: Erik de Bruin, Ellen van Langen en Tonnie Dirks. Van de veertien sporters die samen de topselectie van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU) vormen, blijven er acht noodgedwongen thuis.

Sommigen zoals Han Kulker (1500 meter), Marti ten Kate (10.000 meter) en Elly van Hulst (3000 meter) zijn misschien in de nadagen van hun sportieve carrière. Anderen zoals Jacqueline Goormachtigh (discuswerpen) horen op het internationaal niveau ook niet thuis. Weer anderen zoals Gretha Tromp (400 meter, 400 meter horden), Frans Maas en Emiel Mellaard werden door blessures geveld. De schaduwzijde van de topsport.

Het is dat Frans Maas zo'n hoge pijngrens heeft. Anders was hij bij de Nederlandse kampioenschappen nooit in actie gekomen. Anders had hij zijn lijf wel eerder rust gegund. Dat hij bleef proberen, hopend op “een wonder”, eigenlijk was het “gekkenwerk”.

Maas heeft altijd al gesprongen op wilskracht. In zijn optiek was pijn iets wat je moest trotseren. Een onvermijdelijk bijprodukt van topprestaties. Het stille verdriet van de atleet.

Met die instelling werd hij Europees indoorkampioen in 1988, derde bij de Europese indoorkampioenschappen een jaar later. Ook bij de Europese kampioenschappen in Split twee haar geleden eindigde hij als derde. Met 8,04 meter en “vreselijk veel pijn”.

Maar bij de wereldkampioenschappen vorig jaar in Tokio haalde hij met pijn en een knieblessure niet eens de finale. Hetzelfde overkwam hem begin dit jaar bij de Europese indoorkampioenschappen in Genua, waar hij op 7,36 meter bleef steken. Met ontstoken achillespezen en heel veel pijn.

Toch, zegt Maas, ging het dit seizoen heel voorspoedig. Hij beleefde veel plezier aan de samenwerking met Erik de Bruin en Robert de Wit, jongens met eenzelfde gevoel voor humor. Hij had goede trainingsstages op de Canarische eilanden en in de Verenigde Staten. Natuurlijk had hij ook nog altijd pijn. Maar “pijn kun je uitschakelen”.

Tot de pijn zelfs Maas teveel werd. Een scheurtje onderin zijn wervel. Hij kon de pijn nog wel verdragen die daarbij paste, ook al voelde hij hem voortdurend: bij het zitten, bij het wandelen, bij het niezen. Maar hij kon er niet meer mee presteren. Toch bleef hij doorgaan tot het bittere einde: in Duisburg, in Dreux, in Helmond. Tegen beter weten in. Zaterdag noteerde hij met een van pijn vertrokken gezicht tot drie keer een foutsprong.

Natuurlijk vindt Maas het “heel erg jammer” dat hij niet naar Barcelona kan. De laatste vijf jaar heeft hij met een ijzeren regelmaat elk jaar toch tenminste één keer verder gesprongen dan 8.01 meter. En uitgerekend dit jaar haalt hij die olympische richtafstand niet. Maar hij heeft zich eindelijk, eindelijk in zijn nederlaag geschikt. Hij gunt zijn geteisterde lichaam “effe rust”. En daarna gaat hij natuurlijk onverdroten verder. “Ik denk dat er nog altijd meer in zit.”

Emiel Mellaard had zich er vorige week bij de Adriaan Paulen Memorial in Hengelo al bij neergelegd dat hij er niet zou bij zijn in Barcelona. “Ik heb ervaring met dat soort teleurstellingen.” Na twee mislukte sprongen had hij heel kordaat zijn tas gepakt. Een ontsteking aan zijn kniepees waar hij al vijf weken last van had. Onbegonnen werk.

Terwijl dit het jaar van zijn comeback had moeten worden. In 1989 bekroonde hij zijn continu reeks van jaarlijkse prestatieverbeteringen met een Europees indoorkampioenschap en een afstand van 8,23 meter. Daarna volgde zijn peilloos diepe val. Eerst verpestte de ziekte van Pfeiffer een seizoen. Later kwalificeerde hij zich niet eens voor het WK in Tokio. De pijnlijke breuk met zijn vader als coach had eind vorig jaar het keerpunt moeten zijn.

Hoeveel kan een atleet aan tegenslag verdragen? Mellaard leek die limiet vorige week te hebben bereikt. Hij stopte met trainen, begon op papier de balans op te maken. Ook sprak hij met zijn ouders. Ja, hij kon meteen beginnen in hun zaak.

Maar toen zag hij op tv die Grand Prix-wedstrijd in Stockholm. En toen had hij geen zin meer om te stoppen. Hij had zo weer mee willen springen. “Ik wil de baan weer op.” Ook al maakt hij zich over de omstandigheden geen enkele illusie. Sponsors zullen niet meer staan te dringen om hem te steunen. Organisatoren van grote wedstrijden zullen hem niet meer uitnodigen. “Ik zal het met steeds minder moeten doen.”

Johan van Lieshout heeft het tot grote roem nooit gebracht. Hij was nooit meer dan een belofte. Het grootste speerwerptalent van Nederland. Twaalfde twee jaar geleden bij het EK in Split met een persoonlijk record van 79,16. Daarna is topsport voor Johan van Lieshout nooit anders dan een kruis geweest.

Hij voelt zich gebruikt door zijn trainer Rob Pauel, die geld van hem eiste en hem dwong tot een aanpak die volledig tegen zijn natuur indruiste. Maar Van Lieshout is “een goedzak”, zegt hijzelf met een hartverscheurende glimlach. Hij kan goed luisteren en Pauel kan goed praten. “Alsof ik telkens overmand werd.” Hij voegde zich.

Zijn prestaties werden niet beter. Ze werden slechter. Hij blokkeerde alleen al bij de gedachte aan de olympische limiet van 80 meter. Naast zijn baan concentreerde hij zich volledig op het speerwerpen en dat ging ten koste van zijn sociale leven. Hij voelde zich doodongelukkig, maar wilde dat zichzelf niet bekennen. Dat vertelt hij terwijl hij zijn driftig klopppende slapen masseert met beide handen. “Ik heb mezelf anderhalf jaar voor de gek gehouden.”

Een week voor de Nederlandse kampioenschappen heeft hij het met een stel vrienden op een zuipen gezet. “Niet mooi meer.” Hij heeft er de hele week nog pijn van in zijn hoofd gehad. Hij heeft die week ook niet meer getraind. Dit is wat hij wil, zegt Johan van Lieshout. Sport bedrijven met plezier. “Ze hebben me in een hoek geduwd. Ik heb me nooit een topsporter gevoeld.”