Hier praat iedereen altijd over hetzelfde; Interview met mr. drs. F. BOLKESTEIN

Fractieleider Frits Bolkestein van de VVD loopt in vrije tijdskleding door de gangen van het nieuwe Tweede Kamergebouw. Het is reces, de kantoren zijn verlaten. Hij gebruikt de rustige weken om te werken aan politieke artikelen. Het afgelopen parlementaire jaar zwengelde hij twee grote debatten aan: over de minderheden en over Europa. Wat beweegt hem taboe's te breken? In 1977 kwam hij in de Kamer en voerde een kruistocht tegen het "opinieklimaat' van die jaren: de maakbaarheid van de samenleving en het optimistische mensbeeld. “Wie illusies verstoort, loopt spetters op”.

De Europese gemeenschap was voor Nederland het ideaal van een wereld zonder machtspolitiek. Ten aanzien van de minderheden bestond het ideaal van "de goede vreemdeling'. Het klonk bijna bijbels”, zegt Bolkestein. “Die idealen heb ik dus verstoord. Ik zei dingen die gewoon voor de hand lagen. Maar sommige mensen vallen dan om van de schrik”. PvdA-minister H. D'Ancona schrok. Zij beschuldigde de VVD-leider in te spelen op angstgevoelens. “Wat ik heb gedaan is kip-eenvoudig. Ik heb me afgevraagd wat is de multi-culturele samenleving? Dat is nu typisch zo'n vage term. Iedereen zegt: ja, dat vind ik wel goed, daar ben ik wel voor. Maar wat betekent het? Dat kan toch niet betekenen dat iedereen met al zijn gewoonten naar Nederland komt en dat alles maar moet kunnen. Sommige dingen kunnen wél, andere niet”.

Het opinieklimaat ligt Bolkestein aan het hart. In 1976 liet hij zijn carrière bij Shell lopen om zich in de Nederlandse politiek te storten. Hij was in 1960 als Drees-stemmer uit Nederland vertrokken “om olie te verkopen” en keerde in 1976 terug als VVD'er. “In 1973 zat ik in Parijs voor Shell. Het gauchisme was een dagelijkse bron van ergernis. Ik kwam eens vaker in Nederland, en het was er al net zo erg. We hadden het kabinet Den Uyl: ik was het er volstrekt mee oneens. De rede van Den Uyl in Nijmegen over socialisme en de vrije markt, de houding jegens de DDR, de ontwikkelingshulp. Ik had tien jaar in ontwikkelingslanden gewerkt en wat er in Nederland over werd gezegd raakte kant noch wal”.

Het kabinet Den Uyl was voor Bolkestein de steen des aanstoots: hij begon een kruistocht tegen het heersende opinieklimaat. “Het linkse opinieklimaat was een brede stroming in heel noordwest-Europa, vooral in de protestante landen. Het "gauchisme' van de jaren zestig werkte door tot ver in de jaren zeventig. De cultuurbreuk was niet 1945, maar 1965. Na de oorlog pakte Nederland zijn vooroorlogse stukjes weer bij elkaar. Ik was vertrokken in 1960: de oude tijd, aan het eind van de rustige jaren vijftig. Toen ik in Nederland terugkwam, herkende ik het niet meer. Ik had die hele cultuuromslag gemist”.

Is dat opinieklimaat van toen na jaren van no-nonsensebeleid verdwenen?

“Er is veel ten goede veranderd, maar het is nog niet helemaal weg. Je ziet nog steeds overblijfselen: ontwikkelingssamenwerking, de minderheden, Europa. Daar zie je nog de nagalm van het gauchisme. Er is een direct verband tussen het christendom en de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig. Je kunt de Nederlandse politiek niet begrijpen zonder kennis van de theologie. Wij zijn allemaal christelijk, ook de katholieken zijn hier calvinisten. We zijn doordrenkt van dat gedachtengoed, vooral links Nederland. De doorbraak van de jaren zestig heeft de KVP gehalveerd, en al die geestelijk ontheemden toegang verschaft tot de PvdA: zij konden daar het syndroom van het verloren ideaal compenseren. In Nederland heeft het christendom de verticale dimensie - de verhouding tussen de mens en God - grotendeels verloren maar er kwam een sterke horizontale voor in de plaats: je hoort overal "seculiere Bergredes'. Het is niet voor niets dat ik in het minderhedendebat de meest venijnige reacties heb gekregen van Trouw en de Ikon: theologisch-links. Trouw bracht zelfs een verband aan tussen mij en Eichmann. Je verstoort dromen. Je geeft de mensen weer zoals ze zijn, met al hun tekortkomingen. Theologisch-links is de hoeder van de orthodoxie: afwijkende meningen worden alleen getolereerd zolang deze passen in dát wereldbeeld”.

Kan de VVD zich onttrekken aan de theologische onderstroom in de Nederlandse politiek?

“De VVD kan en wil zich niet onttrekken aan het christelijke gedachtengoed. Maar ik ben een tegenstander van getuigenispolitiek. Neem nu het optreden van de mariniers in Rotterdam. De Kamer stelt vragen, de minister geeft een goed antwoord. De eerste partij zegt: wij zijn tegen. De tweede partij zegt: wij zijn nog meer tegen. En de derde partij zegt: maar wij zijn het meest tegen, wij zijn het "tegenst'. De VVD heeft niet meegedaan aan dat ritueel. Wat lees je dan in de kranten: de VVD nam niet deel aan het debat, de VVD was dus voor. Kijk, dat is nu het risico als je niet meedoet aan zo'n theologisch ritueel, dan wordt er a contrario geredeneerd”.

Hoe ervaart U als "taboebreker' het publieke debat in Nederland?

“Je proeft in Nederland al vrij snel die ethische instelling, je stuit bij veel onderwerpen op het morele zenuwstelsel. Die onderwerpen zijn omgeven door een pantser van de taboeïsering, en het duurt tien jaar voordat het is doorbroken. Hoe kun je dat verklaren? Nederland heeft een grote communicatiedichtheid en hoge bevolkingsdichtheid. Wij leven in een consensusmaatschappij, die wordt geleid door de stijl van schikken, plooien en compromissen. De consensusstijl leidt tot een zekere omslachtigheid en zelfs overgevoeligheid, niet alleen voor de gevoelens van een ander maar ook voor diens veronderstelde gevoelens. En dat veroorzaakt dan zwakstroom, het belemmert een robuust debat. Er wordt gekeken of je bedoelingen wel goed zijn, resultaten tellen veel minder. Wie zijn "goede bedoeling' niet kan aantonen, moet zijn mond houden. Als je een probleem wilt oplossen, moet je het helder analyseren en met de oplossing op tafel leggen. Maar wie dat in Nederland doet, roept zoveel weerzin op dat hij een oplossing vertraagt”.

Hoe ziet U de invloed van premier Lubbers op het opinieklimaat?

“Lubbers heeft daar eigenlijk naast gestaan, hij heeft er niet veel invloed op gehad. Ik denk dat het huidige kabinet blijft zitten tot 1994: Lubbers was dan twaalf jaar premier en dat is een hele prestatie. De premier moet in de eerste plaats het kabinet leiden, maar daarnaast moet hij ook invloed uitoefenen op het opinieklimaat. Soms pakt dat verkeerd uit zoals bij Den Uyl. Lubbers is niet iemand die met heldere gedachten komt. Op het Binnenhof kan dat nuttig zijn want in een coalitie vindt hij listige compromissen. In de buitenlandse politiek mist hij een richtsnoer. Na de val van de Berlijnse Muur zei hij dat de grenzen van de Bondsrepubliek moesten blijven zoals ze waren. Dat is echt een gebrek aan historisch besef. Tegen Saddam Hussein zei hij dat alles was te bespreken als hij eerst maar de gijzelaars vrij zou laten. Dat is weer typisch die mistige compromomis-makerij van het Binnenhof op een moment dat juist een duidelijk antwoord nodig is”.

Als U de openbare debatten over de kruisraketten, kernenergie, Zuid-Afrika, de Golf-oorlog en de minderheden vergelijkt, is er dan verandering?

“Die debatten hebben een gemeenschappelijke noemer: de Gesinnungsethik. Ze zijn een moment waarop men kan getuigen, morele gehaltes kan meten en zijn zuivere bedoelingen kan demonstreren. Er waren steeds dezelfde argumenten, maar toch is er iets veranderd. Als je het kruisrakettendebat vergelijkt met het debat over de Golf-oorlog, dan zie je dat er een andere uitkomst was. Er is dus een ontwikkeling. Als je kijkt naar Zuid-Afrika dan is het debat nu toch anders dan vroeger toen het een toetsteen was van progressiviteit. Maar de politiek blijft uiterst besmuikt omgaan met de grote thema's. De VVD wil een nieuwe stijl, een andere toon. We willen zo dicht mogelijk blijven bij de mensen in het land”.

Veel "mensen in het land' toonden begrip voor het optreden van de mariniers in Rotterdam.

“Eigenrichting mag niet, daar kun je kort en duidelijk over zijn. Maar er leeft in Nederland wel een groot ongenoegen onder de oppervlakte. De mensen zijn het zat, de verloedering, de lompheid op straat, en de fraude. De criminaliteit is een permanente bron van ergernis. Onlangs is de fiets van mijn vrouw gestolen, uit de stalling nog wel. Wij gaan zo besmuikt met de problemen van de mensen om dat je dit soort toestanden krijgt. Het grote ongenoegen gaat pieken, en steekt er plotseling als een puist uit. In Nederland treedt de politie niet erg direct op. In Frankrijk wél: een politieoptreden is er niet iets voor de teergevoeligen. Maar het heeft wél zijn voordelen”.

Kan de Nederlandse verzorgingsstaat nog wel krachtig optreden; schept zij niet een zachte maatschappij?

“De verzorgingsstaat is gebouwd op het principe dat de mens goed is en heeft een therapeutische benadering: veel problemen worden toegedekt met een laag welzijnswerk. Maar te veel bescherming maakt de mens zwak. Ex-minister Albeda had de mond vol over de soft society. Maar wie is daarvoor verantwoordelijk? Albeda zélf onder andere, net als Boersma en De Koning: allemaal ex-ARP. De verzorgingsstaat is geworteld in de theologie: de Bergrede, de zwakke mens. Niet de gedachte van de verantwoordelijke mens die op eigen benen moet staan. Er zit ook een erg paternalistisch element in. Waarom wil de overheid liever subsidiëren dan de mensen het geld zelf te laten houden? De subsidiegever is niet zeker of de mensen wel de "goede keuzes' maken. Zij gaat ervan uit dat de mens goed is, maar blijkbaar is de mens niet zo verstandig want hij mag geen eigen keuze maken. Misschien koopt hij wel stiekem drop voor zijn geld. De mens is goed maar de subsidieverdeler weet het kennelijk beter”.

Hoe vindt U de bijdrage van de intelligentsia aan het publieke debat?

“Ik vind dat ze conformistisch zijn en weinig burgelijke moed tonen in de zin dat ze afwijkende standpunten innemen. Dat is toch vreemd? Je verwacht dat ze onbetreden paden betreden, maar dat doen ze niet. Nergens is het groepsdenken zo kenmerkend als onder de intelligentsia. Dat veroorzaakt dat iedereen altijd over hetzelfde praat: het ene jaar de arbeidstijdverkorting en het volgende jaar weer wat anders. Dan krijg je een soort consensus en die versteent zich dan weer in de orthodoxie. Veel Nederlandse intellectuelen zijn Schöngeister, ze hebben de pretentie veel te weten en meten zich morele superioriteit aan”.

“We leven nu in een interim-periode en ik weet niet hoe lang die duurt. Maar de gedachte dat er van nu af aan geen mythes meer zullen zijn, geloof ik niet. Fukuyama ziet de liberale democratie als het eindstation van de geschiedenis. Hij schetst het beeld van mensen die in wagons aankomen bij de liberale democratie: Europeanen, Latijnsamerikanen, Afrikanen, Aziaten. Het ideaal lijkt verwezenlijkt. Maar na aankomst zullen er weer nieuwe verlangens gestild moeten worden. Er zullen nieuwe mythes ontstaan en nieuwe ideologieën. De mens is van nature ontevreden: dát is mijn enige godsbewijs”.