EG dreigt uitingsvrijheid aan te tasten

Op de agenda van het Europese Parlement staat deze week de stemming over een ontwerp-resolutie over mediaconcentraties en pluralisme.

De resolutie is gebaseerd op een rapport van Europarlementariërs Fayot en Schinzel. Behalve voorstellen om een concentratie van media-ondernemingen in één hand tegen te gaan, bevat het ontwerp een aantal bepalingen die als zodanig niets met mediaconcentraties en pluralisme te maken hebben: het invoeren van een recht van antwoord in de geschreven pers (zie Huub Evers in NRC Handelsblad van 4 juni), het bevorderen van openbaarheid van bestuur van de Europese instellingen; een verschoningsrecht voor journalisten; een beroepsopleiding voor journalisten; het invoeren van een Europese perskaart; het beperken van "barter-overeenkomsten' (het aanbieden van programma's in ruil voor reclame-zendtijd) zijn daar voorbeelden van.

Tijdens de behandeling van de ontwerp-resolutie in de Parlementaire commissie voor Cultuur, Jeugd, Onderwijs en Media, is in het ontwerp tevens de bepaling opgenomen waarin de lidstaten wordt verzocht maatregelen te nemen “waardoor de journalisten worden verplicht de juistheid van hun informatie vóór publikatie te verifiëren en hierbij tenminste een minimum aan beroepseer aan de dag te leggen”. Slechts daardoor zouden journalisten “zich de absolute vrijheid waardig tonen waarvan zij in ruil daarvoor kunnen genieten”.

Deze ontwerp-bepaling is opgenomen op verzoek van de Fransman Fremion, lid van de Groene fractie van het Europees Parlement. Hij wordt gesteund door de conservatieven en de christen-democraten; de socialisten zijn tegen. Fremion deed zijn voorstel nadat hij zich had geërgerd aan de Franse media, die zich een aantal malen zouden hebben schuldig gemaakt aan het verspreiden van onjuiste informatie als gevolg van het onvoldoende verifiëren van de juistheid van die informatie.

Het hanteren van ethische normen en gedragsregels door journalisten, zoals beroepscodes en kwaliteitsnormen is op zich te waarderen. Zodra deze echter als van overheidswege afdwingbare normen binnen de sfeer van het recht worden gebracht, komen zij op gespannen voet te staan met de uitingsvrijheid. Op dat moment bemoeit de overheid zich immers met de invulling van de journalistieke vrijheid en daarmee indirect met de uitingsvrijheid van journalisten. Nu is het mogelijk de uitingsvrijheid te beperken. Daarvoor geldt de standaardformulering dat er sprake moet zijn van een dringende maatschappelijke behoefte, die het noodzakelijk maakt in een democratische samenleving beperkingen aan de uitingsvrijheid op te leggen. Als aan deze voorwaarden is voldaan, mogen beperkingen worden opgelegd, maar alleen ter bescherming van bepaalde belangen, zoals de staatsveiligheid, de volksgezondheid, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de rechten van anderen, et cetera. Bovendien mogen er geen minder vergaande maatregelen aan te wijzen zijn die geschikt zijn het beoogde doel te bereiken.

Als het voorkomen van verspreiding van onjuiste of onvolledige informatie al als een dringende maatschappelijke behoefte kan worden beschouwd op grond waarvan het noodzakelijk is de journalistieke vrijheid in te perken, dan zijn er in dit geval echter veel minder vergaande mogelijkheden. Het is helemaal niet nodig journalistieke beroepsnormen en gedragsregels als rechtens afdwingbare normen vast te stellen. Zodra een journalist zijn boekje te buiten gaat en aantoonbaar onzorgvuldig heeft gehandeld, bijvoorbeeld door het onvoldoende verifiëren van de juistheid van de door hem gepubliceerde informatie, kan reeds sedert jaar en dag worden ingegrepen door de rechter op grond van onrechtmatige daad.

Degene die schade lijdt door onzorgvuldig gedrag van een journalist kan bij de rechter, meestal in kort geding, rectificatie of voorkoming van herhaling en eventueel schadevergoeding vorderen. Deze maatregelen achteraf dragen er over het algemeen zorg voor dat journalisten, ofschoon zij daartoe niet verplicht kunnen worden, zich vrijwillig aan beroepscodes houden. Daarmee is overheidsbemoeienis met journalistieke werkzaamheden voorkomen. Journalisten zijn in dit systeem op gelijke voet als iedere andere burger aansprakelijk voor onzorgvuldige gedragingen. Er is geen noodzaak uitzonderingsbepalingen voor journalisten te scheppen. Als de overheid dat wel zou doen, zou zij bovendien moeten vaststellen wie zich journalist mag noemen en wie niet. Ook dat staat op gespannen voet met de uitingsvrijheid. Een bepaalde categorie burgers zou immers, op het terrein van de uitingsvrijheid, hetzij meer privileges toegekend, hetzij meer verplichtingen opgelegd krijgen dan andere categorieën burgers.

Het Europese Parlement dient zich te realiseren dat wie zich druk maakt over de democratische legitimatie van de EG, niet zelf met voorstellen moet komen die fundamentele rechten dreigen aan te tasten. Door dit soort acties versterkt het Parlement de vrees van Denemarken voor te vergaande EG-bemoeienis met interne aangelegenheden. Dit kan op zijn beurt weer nadelig zijn voor een spoedige ratificatie van de Unie-verdragen van Maastricht door andere lidstaten.