Bergen

Voor de zevende of achtste keer Grindelwald, voor de zevende of achtste keer de schrik van de eerste oogopslag: die totale blokkade van de horizon, dat gesloten front van noordwanden, in alle opzichten kouder dan je je herinnert, God ja, hoe zou zoiets enorms in je geheugen passen?

Het VVV-kantoor gesloten, op goed geluk langs huisjes, kamers. Dan het binnendragen van bagage, uithangen van kleren, klaarzetten van schoenen, het in gebruik nemen van ijskast en badkamer. We kijken elkaar eens aan, vader en zoon, en zeggen dat het best leuk kan worden.

Dan het eerste rondje met de hond, stijf van de reis. Klimmend weiland: meer bloemen dan gras, orchideeën bij de vleet en het eeuwige geluid van stromend water, koebellen, Zwitsers vee, verschoten rood, stevig op de poten, nergens bang voor, maar dat ze niet gek worden van die bellen aan hun nek. En een paapje op een telefoondraad.

Dan valt de eerste avond. Nee, hier valt hij niet, hier stijgt de avond op. Het dal al diep in de schaduw, de toppen nog volop in de zon, daar worden nog mooie dingen gedaan. Wetterhorn, Mettenberg, Eiger, elk met zijn eigen wolken, kloven, gemzeveldjes, gletsjers, wit ingesneden waterlopen.

“Het aardige van bergen”, zeg ik, “is hun kolossale nutteloosheid.”

Daan kijkt mee. Bergen. “Wat doen we morgen?” vraagt hij.