Agassi spreekt in eerlijke tranen

LONDEN, 6 JULI. De plastic kampioen veranderde in vlees en bloed en de transformatie nam iets minder dan drie uur in beslag. Andre Agassi, zo vaak verguisd om zijn maniertjes, door slimme reclamejongens geboetseerd tot het ideale model en al zo vaak falend op belangrijke momenten, voegde de ene dimensie aan zijn loopbaan toe die er aan ontbrak. Een Grand-Slamtoernooi winnen. Wimbledon nog wel. De mooiste tennistitel ter wereld. Het enige toernooi dat juist niet voor hem gemaakt leek. “Als morgen mijn carrière voorbij is, heb ik meer gekregen dan ik verdiend heb. Meer dan ik ook had durven vragen.”

Vijf heroïsche sets had hij nodig om Goran Ivanisevic te weerstaan. De Kroaat sloeg 37 aces, een record op het centre court, maar moest ten slotte buigen voor de messcherpe returns van Agassi die in de grillige botsing van twee compleet afwijkende speelstijlen voortdurend in zijn kansen was blijven geloven.

Een minuut lang lag hij na zijn triomf op de baan. Zijn neus in het gras gedrukt, dat hij na zijn eerste kennismaking in 1987 tot vorig jaar had gemeden, een afwezigheid die hij nu als gebrek aan respect betitelde. Eenmaal opgekrabbeld sprak hij in eerlijke tranen, werd hij omhelsd door zijn ontredderde tegenstander.

Een half uur na de partij leek zijn keel nog dichtgeknepen door de emoties, stootte hij timide woordjes uit, omdat hij de grootsheid van dit moment niet kon bevatten. Hier zat geen opschepper, praatjesmaker of glamourboy. Vergeten was de opwinding over de kledingkeuze vorig jaar, de patserige verhalen over de garage vol peperdure automobielen die hij verzamelt. Het was het zelfvertrouwen geweest, zei hij. En natuurlijk de extra lessen van Nick Bolletieri, misschien wel de bekendste tenniscoach ter wereld die nog nooit beleefde dat een tennisser onder zijn leiding een Grand-Slamtoernooi won.

Pag.13: Sloper van servicegeweld

Bolletieri kon als enige tot de Las Vegas Kid doordringen. Die met hem om kon gaan. Die hem duidelijk kon maken dat hij wel degelijk kansen had op die lastige ondergrond. Als hij op de beslissende momenten die baselijn achter zich durfde te laten, om op te komen naar het net en niet uitsluitend zou vertrouwen op die magnifieke backhand return, zijn enorme snelheid waarmee hij zelf op gras nog tijd lijkt te hebben om de hoek uit de zoeken waar hij de bal heen zal sturen.

Met zo'n bewustzijn kon ook de 22-jarige Agassi, natuurlijk steunend op zijn passeerslagen, Wimbledon winnen. In een jaar dat zo'n magere resultatenlijst opleverde met alleen een toernooizege in Atlanta. “Als je in de versukkeling zit heb je het gevoel dat de mensen die tegen je zijn een megafoon bij zich hebben, een tegenstander met een harde opslag zie je als iemand die een houwitser pakt. Alles ziet er groter uit en je ziet het pas scherp als je van de baan bent, maar dan is het te laat.”

Het leek hem een tijdlang nauwelijks te deren. Was hij er niet al twee keer in geslaagd de finale op Roland Garros te halen, zonder in Parijs ook maar één keer zijn trainingsracket in zijn hand te hebben en wel elke dag bij McDonalds hamburgers zat weg te werken? En stonden de sponsors niet rijendik voor de deur van dat behaarde ventje met zijn opzichtige kleren, zijn felgekleurde racket en zijn gebabbel met het publiek? Natuurlijk was het wat oneerbiedig om zo'n talentrijke speler een door de commercie ontworpen kampioen te noemen, maar hij ging er zich wel steeds meer naar gedragen, werd puissant rijk zonder ernaar te presteren.

Nu in het jaar waarin hij voor het eerst sinds 1988 niet meer in de top tien van de wereld stond lukte het tijdens zijn vierde Grand-Slamfinale wel. “Je zou verwachten dat je de vierde keer in een finale de baan opgaat met de gedachte: "ik hoop dat ik deze niet verlies'. Maar ik was juist heel erg ontspannen. Ik heb geen spanning gevoeld.”

Dat kwam mede door de manier waarop hij in die eindstrijd was gekomen. Als twaalfde geplaatst kwam hij Boris Becker tegen en beroofde hij zaterdagochtend Wimbledon van een sensatie door de herboren John McEnroe (33) in drie sets kansloos te laten. Het werd hem niet kwalijk genomen, want Agassi gaf er iets mooiers voor terug: zichzelf op een manier zoals iedereen hem zo lang al graag wilde zien.

Agassi werd het boegbeeld voor de wanhopigen, die tennis ten onder zagen gaan aan de hardhitters, de spelers met de verwoestende service die de rally als een hinderlijke oponthoud zien op weg naar winst. De linkshandige Ivanisevic, die voor het eerst in een Grand Slamfinale stond, is een voorman van die stroming. Hij realiseerde in dit toernooi het astronomische aantal van 206 aces. Sloeg er tegen Agassi in de vierde game van de beslissende set zelfs vier. “Als hij opslaat is het alleen de vraag of ie in is of uit. Ik kon alleen maar hopen op een paar schaarse momenten, waarmee ik op deuce of voordeel kon komen. Verder heb ik alleen maar staan genieten van die service.” Veel meer is niet mogelijk.

De Kroaat vertrouwt op dat wapen, kent de kracht en de snelheid. “Je hebt de bal niet eens gezien, man. Die gaat veel te snel voor jou”, beet hij de umpire gisteren een keer toe toen deze een beslissing van de lijnrechter corrigeerde. Dat hij in zijn landstaal de scheidsrechter nog met een dier vergeleek (“Ik weet niet meer welk. Een leuk dier, geen slecht”) achterhaalde de organisatie na een telefoontje van een Joegoslaaf aan de club, waarna Ivanisevic werd verzocht dat na te laten. “Het was waarschijnlijk een Serviër”, reageerde hij. “Die haat mij en die belt op. Dat heb ik de scheidsrechter ook uitgelegd.”

Het was geen incident waarvan hij onder de indruk was. Ivanisevic bleef enorm geconcentreerd. De hele week had hij een vast ritme gehad. Elke avond at hij in de St. Quentin Grill hetzelfde menu: vissoep, lamsvlees met jus d'orange en vanillepudding met chocoladesaus na. En omdat die maaltijd hem geluk bracht bleef hij het eten. Hij straalde zelfvertrouwen uit, hield zichzelf onder controle. Maar het probleem was dat hij de opslagbeurt van Agassi niet kon breken. Na via een tiebreak de eerste set te hebben gewonnen, verloor hij tweemaal achter elkaar. Pas in het begin van de vierde lukte het wel en liep hij ook over zijn tegenstander heen: 6-1. Maar toen ze elkaar in de beslissende set in evenwicht hadden gehouden, werd de spanning hem bij een 5-4 achterstand op eigen service te groot. Twee dubbele fouten (“Ik gooide de bal op en besloot toen nog om anders te slaan dan ik eerst van plan was. Dat moet je nooit doen”) en op matchpoint voor Agassi een makkelijk volley in het net vormden de afsluiting van de psychologische thriller.

Ivanisevic was de favoriet van de bookmakers, Agassi van de veteranen. Want de halve eindstrijd tegen Pete Sampras was dan weliwaar meer dan indrukwekkend (de Kroaat verloor in de hele partij slechts 24 punten op zijn eigen service), wat er in de andere halve finale tegen McEnroe gebeurde was nog onwaarschijnlijker. Net als tegen Becker zag Agassi kans om de kleinste ruimte die een serve-volleyer hem laat te benutten. Met veel accuratesse sloeg hij de ballen terug. McEnroe keek, de handen in de zij, keer op keer vol ongeloof over de baan. “De enige die ik ooit zo goed heb zien retourneren was Jimmy Connors.” En Arthur Ashe ventileerde zijn opvatting in de Observer: “Als iemand de tot nu toe niet te retourneren klappen van Ivanisevic kan terugslaan is het Agassi. Hij wint in vijf sets.” Alleen de setstanden moesten nog worden ingevuld: 6-7(8), 6-4, 6-4, 1-6, 6-4.